de tram
Om mijn stad wat beter te leren kennen, neem ik soms eens een tram naar huis.
Het schiet niet echt op, maar je ziet veel Amsterdam aan je voorbij trekken.
Steeds probeer ik mij weer te oriënteren, en dat gaat best goed.
Langzaam wordt het plaatje van mijn nieuwe stad completer.
Bij de Munt kunnen we niet verder.
Iemand staat kennelijk in het "oog" van de deur, en als de deuren niet sluiten kunnen, kan de tram niet rijden.
De trambestuurder roept "Als degene die bij de deur staat even met zijn kont weg kan gaan, kunnen we verder "
Op zich nog wel netjes, al had hij het woord kont beter kunnen weglaten.
"Je praat maar zo tegen je moeder" roept een Surinaamse vrouw door de tram. Ze verzet geen stap.
Een baby huilt klaaglijk.
"We kunnen hier ook blijven staan hoor, geen probleem" zegt de trambestuurder door zijn microfoon.
Wat de vrouw verder nog zegt kan ik niet verstaan, maar er ontstaat een grote discussie achterin.
Veel geschreeuw.
We rijden weg bij het Rembrandtplein als een blonde vrouw zich foeterend een weg naar voren baant.
Kennelijk nam ze deel aan de ruzie, en wil ze zich eraan ontrekken.
Haar ogen staan verwilderd, onwillekeurig moet ik denken aan paarden die bang zijn voorde bliksem.
Haar kleding oud en een beetje afgedankt.
Maar het is voornamelijk iets in haar uitstraling. Ze heeft iets heel kwetsbaars.
Je zou haar willen vragen: "wie heeft je zo'n pijn gedaan?".
Een andere, roodharige vrouw beweegt zich van achter naar voor in de tram, ze zegt iets tegen de blonde.
"Nee he" zegt deze, en de roodharige, de blonde, en nog een andere blonde schieten naar achteren.
De vrouwen schelden nu, steeds harder, wilder door elkaar.
De sfeer in de tram wordt er niet relaxter op. Het schelden houdt aan.
" Als het zo moet, stap ik wel over op lijn 12" bedenk ik me.
Ik wil weg, weg van de agressie. L'enfer se sont les autres.
Ik sta op de stoep bij de tramhalte op het Waterlooplein als ik zie dat ik niet de enige ben die is uitgestapt.
De Surinaamse die voor het oog van de deur stond, heeft een groep om zich heen verzameld.
Met zijn allen slaan ze de blonde vrouw in elkaar.
De andere vrouwen proberen dat te voorkomen.
Ik weet niet wat ik anders kan doen dan 112 bellen.
Ertussen springen is niet slim, maar er moet wel iets gebeuren.
Ik vertel het aan de telefonist.
"We komen er aan" zegt deze.
Even nog blijf ik besluiteloos staan.
De tram mag niet verder rijden voordat alles opgelost is.
Lijn 12 kan dus ook niet komen, besef ik. Alles zal stil liggen door deze gebeurtenis.
Mijn benen trillen. Ik besluit een stukje te gaan lopen dan, is ook wel goed om
rustig te worden.
Ik loop langs de februaristaker richting het Weesperplein, onderweg nog twee touristen de weg wijzend.
Ik wacht twee minuten bij een tramhalte met een kibbelende moeder en zoon.
" Eerst staat er 14.49 op het bord, en dan 14.51. Waarom doen ze dat?"
" Ma, dat weet ik niet"
" Maar jij moet het toch léren, jij woont hier"
Op de Sarphatistraat neem ik lijn 10.
Het beeld van mijn stad is weer wat completer.
zucht

