Het verbaast me hoe makkelijk ik overga tot de orde van de stad. Zo'n anderhalf uur nadat ik aankwam in Leiden, fiets ik alweer door haar drukke straten vol fietsers en touristen alsof ik dagenlang niets anders heb gedaan.
Mijn gedacht is meteen weer op het leven hier gericht; op referaten, activiteiten, afspraken en of ik mijn fietslichtjes wel bij me heb, en wanneer ik boodschappen zal doen.
Als ik hier fiets ben ik meteen weer een studente, een inwoner van Holland, een randstedeling.
Maar schijn bedriegt.
Een stukje van mijn hart ligt nog in Zeeland. Al reis je per raket, de ziel komt altijd te voet.
In mijn hoofd nog vlagen van het land, van de geuren die anders zijn, de taal, en de mensen.

Het is geen heimwee, het is een patstelling die af en toe opspeelt.
Enerzijds het verlangen daar te zijn, dichtbij mijn ouders, in het prachtige landschap, mijn vrienden daar, de wegen die ik ken.
En anderzijds het weten dat ik hier moet zijn, voor mijn vrienden en vriendinnen, mijn toekomst, de studie, het werk, de ontwikkeling etc.
Er is goed te leven met dit gevoel. Ik ben niet verscheurd.
Ik ben hier gelukkig. Ik heb het naar mijn zin.
Geniet van het comfort, de universiteit en de winkels en de evenementen en de feesten binnen handbereik.
Ik geniet het meest nog van de sfeer, van het feit dat er meer kan.
Dat je zomaar een kleine voorstelling kunt spelen met David, als je dat wil.
Dat je fladderjurken kunt dragen zonder nagekeken te worden.
Dat je niet raar wordt aangekeken als je verder denkt, dat het niet stom is om slim te zijn.
Het mooie is: ik hoef niet te kiezen.
Het is maar 2 uur treinen weg.
Als ik wil, ga ik erheen. Dan loop ik langs de dijken, en snuif ik de geur van Zeeland op.
Dan drink ik Jupiler met de Zeeuwse vrienden.
En als ik wil ben ik hier, en dompel ik me onder in het leven van een studente in Leiden.
Dat kan beiden, en zo heb ik het beste van twee werelden.
En nog een beetje heimwee en melancholie en verlangen ook ...
Wat kan ik me nog meer wensen?
Hij is kleiner dan ik, maar hij is leuk.
Of ik met hem meega, vraagt hij.
Het is een beetje spannend wel, en daar geniet ik wel van.
Misschien moet ik maar weer eens iemand kussen, bedenk ik me.
Anders wordt het zo'n issue, en ik heb wel weer eens zin.
Het café sluit en Reineke en ik lopen naar buiten. De potentiële zoener loopt ook de straat op, maar treuzelt.
Ik pak mijn fiets, en loop pratend met Reineke verder. Hij niet.
Inmiddels zijn we de hoek om, en is hij uit het gezicht verdwenen.
Nee, zeg ik tegen mezelf.
Nee, je loopt nu niet terug. Nee, je gaat er niet achteraan.
Niets van dat alles.
Hij behoort achter mij aan te lopen, besluit ik.
Het is nog geen tijd geworden om een straat om te lopen vanwege een mogelijke zoen.
Misschien breekt die tijd wel niet meer aan.
Daar ben ik een veel te leuk wijf voor, besluit ik.
En ik besef dat dat het belangrijkste is, dat je jezelf een leuk wijf vindt.
En datje dat tegen jezelf kunt zeggen.
Dat je niet hoeft af te wachten of terug te lopen voor een zoen.
Eindelijk in staat om jezelf te kussen, eigenlijk.
Je ziet het pas als je het doorhebt.
Met een brede glimlach fiets ik door de mist die tussen de huizen hangt.
"Wat zijn we het weer verschrikkelijk ééns he " zegt Reineke als ze een shagje draait.
(Prachtig gebaar vind ik dat, shag draaien. Als ik zie hoe ontspannen haar vingers langs de vloei glijden, verlang ik er hevig naar ook te roken.
Alleen maar om het draaien. Je ogen neerslaan, beide handen gebruiken, afentoe mooi afwezig opkijken.
Ooit las ik ergens dat je het ergste nieuws zou kunnen vertellen als je bezig bent met draaien, en het is ook zo.
Je wendt je even af, maar bent tegelijk aanweziger dan ooit )
Al uren zitten we aan de bar, en we bespreken alles wat in ons opkomt. En dan vooral de mensen om ons heen. Inmiddels kom ik al 12 jaar in La Strada, Reineke zit er misschien al 20 jaar, dus we kunnen heel wat stamgasten onder de loupe nemen. We weten altijd nog wel een verhaal op te diepen wat de ander niet kent, waarna we tot een gefundeerd oordeel komen.
"het is dus een smeerlap"
"jazeker het is een smeerlap"
"nou"
"inderdaad"
We lijken wel op Waldorf and Statler van de Muppetshow, met ons hoekje aan de bar als loge van het theater waar iedereen zijn toneelstuk opvoert.
Zalig.
Vorige week zette ik de vuilnis buiten, toen juist de dichter met het lange haar voorbij liep. Het hele voorval duurde nog geen minuut, maar ik merkte opeens hoe zijn ogen op mij rustten. Nu ja, niet op mij, maar op mijn bips.
De dichter dacht misschien dat hij heimelijk staarde, maar het was mij volkomen duidelijk.
Ik kon zijn blik gewoon vóelen.
Gisteravond.
We zaten zo?n anderhalf uur in het café, toen de dichter met het lange haar binnenkwam.
?Hij kijkt naar billen? zei ik tegen Thomas, en ik vertelde over het vuilnis-voorval.
Op dat moment stonden er twee meisjes op om te vertrekken.
Het ene meisje had nauwelijks billen, haar rug ging direct over in haar benen. De dichter keurde haar geen blik waardig.
Echter, haar tafelgenote had wel zijn interesse. Dat meisje had een strakke beige ribbroek aan die hoog in haar taille sloot, een ideaal kledingstuk om haar bloemrijke kont vol te laten uitkomen.
De dichter met het lange haar deed moeite het niet te laten opvallen, maar Thomas en ik zagen het duidelijk. De dichter was aan het billenkijken. Hij nam de gevulde billen in de beige broek aandachtig op, zijn blik was bijna hypnotiserend, alsof hij met zijn ogen door het ribfluweel wilde heen branden.
"Laten we eens kijken of hij het ook bij jou doet? zei mijn tafelheer geamuseerd.
Ik stond op om de rekening te gaan betalen, en ik pakte mijn portemonnee uit mijn tas.
"Jahoor, nu al!"
Toen we het café uitliepen, waren de ogen van de dichter gericht op mijn derrière. Volgens mn tafelheer had de dichter een duidelijke focus op mijn achterste.
"Hij kleedt vrouwen met zijn ogen uit!"
Kijk, ik kan nu natuurlijk gaan foeteren over vieze mannetjes, maar ik besloot het te beschouwen als een enorm compliment.
Niet elke dag worden mijn achterwerk en ik nagekeken met zulk een waardering en enthousiasme.
Mijn billen moesten er zelfs een beetje van blozen.
Geen moment aarzelde ik toen ik hem op zijn vaste kruk zag zitten. Ik trok een streep door de enorme mensenmassa in het kleine cafe om bij hem te komen.
Er zat een vrouw bij hem,wiens borsten bijna uit haar truitje tuimelden.Ze werd heel sjacherijnig toen ik erbij kwam staan.
Blijkbaar stoorde ik haar versier-actie.
Toen bleek dat ik niet " de vriendin van" was, klaarde ze op. Nu zou ik haar immers kunnen helpen.
Hij speelt in de wereldberoemde metalband. Vroeger boezemde hij me angst in, zoals hij helemaal in het zwart en in zichzelf gekeerd, met wapperende zwarte lange haren door de stad liep.
Later leerde ik hem beetje bij beetje kennen. Hij zat vaak aan mijn bar, en sprak over het leven.Over de beroemde metalband hebben we het nooit gehad.
Dat is namelijk even helemaal niet belangrijk, als je op je vaste kruk aan de bar zit.
Hij vond het leven klote, gelukkig werd hij later op de juiste manier geholpen, en was hij later veel minder depressief.
" Ik loop op wolkjes" vertrouwde hij me toe.
" Wolkjes? " zei ik en ik trok mijn wenkbrauwen op.
Het is toch vreemd zoiets te horen van zo'n inktzwart persoon, met een doemvisie op het leven.
" Ja, wel zwarte wolkjes hoor" voegde hij toen toe.
Altijd als ik in Zeeland ben, zoek ik hem op.Ik hoef niet ver. Hij zit altijd op dezelfde kruk in de kroeg.
Flesje jupiler erbij.
Hij knuffelde me, en praatte nog even onduidelijk als immer. Zodat ik, me keer op keer naar hem moest overbuigen om te horen wat hij nu eigenlijk zei.
Nog steeds alles in het zwart en lange zwarte haren.Zijn magerheid is hij echter voorgoed kwijt.
" Eigenlijk ben ik een heel nare man" hoorde ik hem tegen het meisje zeggen.Hij probeerde het overtuigend te laten klinken.
Zij geloofde hem niet, en dat is ook logisch.
Het is namelijk gewoon niet waar, hij is verre van naar.
Hij is lief.
Het werd laat, heel laat. Pas rond half 5 kroop doodmoe ik op mijn moeders fiets (met mandje) om naar huis te gaan.
Ik had nog veel langer kunnen blijven.
|
|