Thuis, toen ik alleen was, vond ik haar.
Mevrouw Solitude. Het gaat precies zoals in het chanson van de Franse zangeres Barbara.
Mevrouw Solitude is de behuilster van de dode liefdes,ze heeft me gevolgd, stap voor stap.
Ze brengt ons hart aan het rondslingeren.Ze brengt ons hart aan het huilen.
Ze maakt onze handen doodsbleek. En de lange troosteloze nachten
Ze is gaat hangen om je nek.Ze wikkelt zich om je knie.
Overal volgt ze je.
Zo eens in de zoveel tijd gebeurt dat, oud verdriet komt omhoog.
Het kan zijn door het vinden van een briefje, door een herinnering die opkomt bij een geur of een liedje.
Dat je weer even weet, ik ben niet samen meer. Soms kan dat erg prettig zijn. Ik kan doen wat ik wil, zonder schuldgevoelens of gedoe. Als ik 's nachts uit de kroeg kom, gezellig samen ben geweest met Iris,Isabel of Puck of is er niemand die alleen thuis zit te wachten. Ik kan eten wat ik wil, en wanneer ik er zin in heb. Als ik tot vijf uur met dichter W. wil praten over het leven, is er niemand die er last van heeft.
Maar soms herinnert je lichaam zich opeens,
hoe het vroeger in slaap viel met armen om zich heen,
hoe er altijd iemand was.
Dan gooit mevrouw Solitude opeens haar netten uit.
De kunst is het tegelijk toe te laten én het niet weg te drukken, heb ik gemerkt.
Dus : warm eten , naar je werk gaan, douchen, je benen scheren.
En niet: in bed blijven, je avondmaal doen met een zak chips, oude suffe kleren aandoen, afspraken afzeggen.
Vandaag ben ik eerst heel hard door de kamer gaan dansen op Franz Ferdinand, de Kaiser Chiefs en daarna de Fratellis.
Ik deed wat leuks aan. Grote ronde oorbellen in. Krullen in mijn haar gekneed.
Daarna maakte ik me op,niet een beetje, maar compleet met poeder en lippenstift.
Blosjes op de wangen.
Ik zag eruit alsof ik blij was,
nu de rest nog.
Het ging prima, op zich.
Ik nam een interview af, vergaderde twee keer.
Niemand heeft iets gemerkt van de zwaarte van binnen, van mevrouw Solitude aan mijn knie.
Toen belde plots Philyra, of ik meeging koffie drinken. Zo goed ken ik haar niet, maar het leek me super. We spraken over vanalles. Voordat ik het wist vertelde ik het hele verhaal over J. Maar we spraken ook over loopbaan, vrees, fouten en Parijs.
Natuurlijk legde ik niet mijn hele ziel op tafel, en is de storm niet bedwongen.
Het zal nog wel even afentoe blijven komen. Verdriet drijft afentoe boven.
Mevrouw Solitude staat nu eenmaal soms voor de deur.
Doe je niks aan.
Het is de kunst haar niet te zeer te omarmen.
Moeder en ik liepen door de straten van mijn geboortestad. Het is me weer eens duidelijk dat hier twee werelden zijn.Eén wereld van de "gewone" winkelende mensen zoals mijn moeder en ik, en de wereld van de orthodoxe protestanten.
We lopen beiden door dezelfde straten, maar er zijn aparte scholen, winkels,bedrijven en uitgaansgelegenheden.
Niet dat er ruzie of frictie is, er is gewoon nauwelijks contact.
Moeder en ik worden aangetrokken door een winkel waar een blaadje hangt met "vier truien voor de prijs van één". Het zijn mooie truien.
Moeder en ik graaien naar hartelust, geflankeerd door andere vrouwen die door het bordje aangetrokken worden als vliegen door stroop.
Aan één van de vrouwen zie je dat ze orthodox protestant is.
Wat het is, weet ik niet, maar je gaat het herkennen, hoewel je natuurlijk nooit zonder meer labeltjes mag plakken.
Laten we zeggen dat de ene persoon het vermoeden sneller doet rijzen dan de andere.
Deze vrouwen mogen zich niet opmaken, hun haar niet knippen, en ze dragen enkellange rokken. Als ze door de winkelstraat lopen, bedienen ze zich van een opvallende onopvallendheid.
De truien zijn er in appeltjesgroen, fuchsiaroze, sinaasappeloranje en roestbruin.
Moeder en ik zijn beiden bedeeld met een erg blanke huid met sproetjes. Mijn moeder heeft zelfs rood haar.
"Die oranje hoef ik niet te proberen" spreekt ze dus de gedachte uit die we beiden hebben.
Het oranje is zo fel dat we er beiden als vreemdsoortige spoken zouden uitzien met die kleur.
Past niet bij ons gelaat.
"Ja dat is zomaar een tijd mode geweest he" zegt de orthodoxe vrouw tegen ons "en nu zie je het eigenlijk nooit meer. Ik vind het ook niet mooi"
Voor we het weten praten we over huidkleur en wat je dan kunt hebben of niet.
Stom dat zoiets banaals als uitverkoop mensen toch een moment kan verbroederen.
Misschien moet er vaker uitverkoop komen, overal ter wereld.
Ik ben voor!
Ik heb het lang weggestopt. Niet over nadenken, zei ik elke keer als de gedachte in mijn hoofd sprong.
Maar ik moet het onder ogen zien.
Ik moet.
Ik maak me zorgen.
Ik krijg het idee dat ik geen vrouw ben.
Tuurlijk, ik beschik over de benodigde organen. Ik heb heupen. Ik houd van zorgen, gevoelens uiten en thee.
Rokjes draag ik, en jurkjes en BH's.
Bovendien mag ik graag heel veel spuien met vriendinnen zonder te werken naar wezenlijke oplossingen.
En dat we ons dan toch opgelucht voelen erna.
Ik word nooit voor een man gehouden. Nog nimmer noemde iemand mij meneer.
Maar toch he ...
Toch maak ik me zorgen.
Ik houd namelijk niet van Grey's Anatomy.
Zo dat is eruit.
Ik heb het geprobeerd. Zeker toen mijn moeder ook verslaafd bleek, net als al mijn vriendinnen.
Iedereen kwijlt bij dr. Shepperd. Hij wordt zelfs McDreamy genoemd.
Elke vrouw leeft zich in in Meredith Grey.
Ik niet.
Ik vind haar zelfs stom.
Goed, voor sommige dingen kan ik wel sympathie opbrengen.
Die demente moeder van haar bijvoorbeeld, dat lijkt me lastig.
En ik vind het stoer dat ze chirurg wil worden.
Maar dat hóófd. Dat irritante hoofd met die zaadvragende ogen.
Die opstelling van haar. Maar een beetje blijven hangen aan die kerel die steeds maar teruggaat naar zijn wortelachtige echtgenote.
Kind, ga wat doen met je leven.
Dat ze dan zomaar op een feestje even een wip met hem gaat maken. Alsof dat liefde is. En dat ze dan met die zielige George gaat rotzooien.
George, jongen, je kan veel beter krijgen.
En dat ze dan nu gaat daten met zowel de dierenarts als Shepperd. Waarom hebben ze daar in godsnaam zin in?
Je gaat toch niet dusdanig strijden om zo'n wispelturige geliefde? Ik heb nog niets gezien in de serie wat bewijst dat zij nou zó leuk is.
Ik heb alleen maar een zeur gezien, met een hoofd waarop ik wel wil slaan. Iemand die dokter is en in het ziekenhuis werkt met losse haren.
Lekker, als je steeds moet opereren.
En iedereen houdt haar de hand boven het hoofd. Niet alleen Christina, maar zelfs George.
In het echte leven was ze al lang overgeplaatst als ze lag te rollebollen met één van haar bazen.
U merkt, ik zie de serie weleens. Sommige dingen vind ik best aardig. Sommige uitspraken werken wel inspirerend (zoals "pijn is er met een reden"),
sommige patiënten zijn lekker maf, Christina Yang is best stoer.
Maar liefst zou ik elke keer wegzappen als ik het hoofd van Meredith zie.
Dat is lastig, want ze zit in erg veel scenes.
Als ik nu toch bezig ben: ik lust ook geen chocolade.
Kan iemand me geruststellen omtrent mijn vrouwelijkheid?
Of heb ik mij, met dit gezeur, zojuist toch bewezen?
"Ik laat je woorden om hun as branden" was een regel die in me opkwam na de gesprekken met J.
Een mooie regel vond ik het. Na "om hun as" verwacht je "draaien", maar ik liet ze branden.
Daardoor krijgt as weer een andere betekenis.
"Ik had ze om hun as heen laten draaien" zei dichter W. Hij is altijd iets explicitier in het spelen, of laten we zeggen: anders.
Het lijkt wel of ik met hem anders kan spreken dan met anderen. Mensen snappen vaak niet eens dat je gedichten verzonnen krijgt, laat staan dat ze begrepen hoe je vergelijkingen maakt en de taal beschouwt.Het is prettig om met iemand te praten die het ook heeft, die zich herkent in de andere gedachten over woord en betekenis.
Het klopt, vertelde de Onze Taal me vandaag.
Toen ik een half uur op mijn afspraak moest wachten, nam ik het artikel tot me.
In Nijmegen hebben ze onderzoek gedaan. Dichters en zelfverklaarde niet-dichters moesten achter een computer plaatsnemen en een test doen.
Dichters hebben meer verbindingen tussen tussen woorden in hun geheugen, zo bleek. We zien meer betekenisverbanden tussen woorden dan anderen.
We hebben ook meer de neiging op zoek te gaan naar overeenkomsten.
Ons brein verteert woorden anders.
Ik zal eraan denken als ik in juni mijn laatste taalkunde-tentamen maak.

"Hebben jullie een grote droom? "
De jonge corpsbal die mij en Camiel staande hield bij het stadhuis is duidelijk in beschonken staat, maar zijn ogen staan fel.
Hij vraagt wat we studeren. Hij vertelt over zijn moeder die onderzoek doet naar de de grote zee rollen ("dode zee rollen" verbeter ik zachtjes).
En dan weer, of we een grote droom hebben.
"Ik moet plassen" denk ik.
Maar ik stamel iets over promoveren en wat ik dan wil doen. Dat er vele middeleeuwse handschriften zijn die nog onontdekt zijn en dat ik die wil ontsluiten.
Of dat echt mijn grote droom is, weet ik niet eens zeker. Het is in ieder geval wat me nu gaande houdt.Eigenlijk wil ik gewoon kinderen, een man, een logge bank en een leuke baan die ertoe doet.
De jongen, student aan de TU, vindt het grote onzin. "Ja, en dan heb je dat gedaan, en dan?" zegt hij. Ik probeer nog iets uit te leggen over bronnen van kennis die blootgegeven kunnen worden, een ander beeld van het verleden wat kan komen, maar hij wendt zich tot Camiel. Camiel is plots zijn wapenbroeder geworden, want hij heeft ook iets technisch gestudeerd. Met dat theologische, middeleeuwse verhaal van mij kan hij niks.
Camiel kan echter vrij weinig uitbrengen.
Dan gaat de corpsbal verder, over zijn grote droom. Hij wil een supergeleider maken op kamertemperatuur. En hij wil op de trappen van het stadhuis klimmen, en zijn spierballen laten zien als hij boven is, zoals in Rocky. Daarom staat hij hier. Omdat hij en zijn broer vroeger één videoband voorzichzelf hadden en daar stonden Rocky 4 en 5 op.
Grappig hoe mannen met zulke grote vragen, eigenlijk heel kleine jongetjes zijn.
Camiel en ik konden ons uiteindelijk losmaken, en vertrokken (ik vreesde er nu werkelijk voor om opgepakt te worden voor wildplassen, en Camiel wilde - denk ik - naar de warme rug van zijn vriendin).
Nog net zagen we hoe de jongen de trappen op beende, met zeer sportieve snelheid gezien zijn beschonken staat, en boven stond te juichen.
Nu de supergeleider nog.
De viking wilde wel een opdracht in het boek wat ik hem cadeau zou doen.
De vrijdagmiddagborrel was in alle hevigheid losgebarsten, hij en ik konden ons nauwelijks verstaanbaar maken.
Voor me had ik het boek. Mijn pen zweefde onhandig boven de eerste bladzijde. Daar moest 'ie komen, onder de titel en de schrijver.
Normaal heb ik inspiratie voor tien. Ik mail vrienden gedichten, ik stuur liedjes, ik weet adequate metaforen te verzinnen, de juiste woorden te treffen of te vertellen waarom me dat niet lukt.
Nu niet.
Dat ik hem voelde kijken naar me, hielp niet bepaald.
En ik had al zoveel tegen hem gezegd de afgelopen uren. Dat ik niet meer met hem kan afspreken, vooralsnog. Mijn hart kan dat niet aan.
En wat ik voel, weet hij ook wel. Dat ga ik trouwens ook niet in een dat boek schrijven.
Een opdracht heeft een eeuwigheidswaarde waar je u tegen zegt.
Opeens zag ik voor me hoe hij het over dertig jaar uit de kast zou halen.
Hoe zijn kleinkinderen het in handen zouden houden.
Of nog veel erger: hoe iemand het volgende week zou vinden.
Wat je schrijft, lijdt een eigen leven.
Hij werd gebeld en liep naar de ingang van het café.
Het stond in de nis tussen de twee ingangsdeuren, samen met een andere man die in zijn GSM blafte.
"Een telefooncel" dacht ik verstrooid.
Ik bladerde in het boek dat ik hem ging geven, op zoek naar een goede quote waar ik wat mee kon.
Opeens had ik hem, ik wist het al voordat ik las. Dit is de tekst van de dag.
"Voor de viking, omdat leven soms loslaten is, en niet onder gaan" schreef mijn pen dus.
Bij het weggaan drukte ik een kus op zijn wang.
"Nou, bel me als je vrijgezel bent" zei ik.
Mijn stem klonk licht hysterisch. Geforceerde vrolijkheid.
Wat moet je anders?
Ik huilde me een weg naar huis, maar niet voor lang.
Puck was er, en later Tommy.
We zochten vergetelheid in de kroeg met de snorloze barman.
Toen liep de viking opeens voorbij het raam.
Als in slow motion gaan die dingen.
Ik wuifde aarzelend, en hij wuifde aarzelend terug.
Het leek alsof het wuiven pijn deed.
En zo zal het voorlopig, waarschijnlijk even blijven.
Gisteravond, toen de storm op zijn hevigst was, belde Louise opeens. "Sorry, ik weet dat ik je vijf jaar niet heb gezien, maar ik kan niet meer naar huis"
Ik aarzelde geen moment. Natuurlijk kon ze komen logeren, geen probleem.
Ze werkte sinds kort in mijn stad, achter het station. Louise kende heg noch stech. Ik moest een beetje lachen toen ze mijn straat niet bleek te kennen. Iedereen kent mijn straat, zelfs mensen die hier maar één keer een dagje waren.
Alsof ze in Amsterdam de Kalverstraat niet kende, zeg maar.
Louise kende alleen maar een plein met Mc Donald's. Ik moest haar dus maar gaan halen, leek me.
Het leek wel oorlog in mijn stad, de leegte en de zorgelijke mensen.
Een paar mensen die het dagelijkse leven probeerden te laten doorgaan. Ik zag de snorloze barman in een bijkans lege kroeg.
Beelden op het nieuws van veldbedden.Zij zat met die man vast in een andere stad.
Museumcollega's durfden niet meer naar huis.
Mijn bril waaide bijna van mijn gezicht.
Dit komt vast op het jaaroverzicht, bedacht ik me verstrooid.
Uiteindelijk vond ik Louise, bij het plein met de MacDonald's. Toen de wind enigszins lag, besloten we dichtbij mijn huis een kroeg te bezoeken.
Daar zaten Iduna, Floris, en collega Chrissy.
We spraken meer over nu, over de thema's in ons leven, over vrienden, mannen, liefde, mensen.
Alsof onze voeten meer op de grond kwamen te staan, door elkanders gezelschap.
In het midden van een tornado is het stil en rustig, hoorde ik wel eens.
Het is waar.
"Dankjewel"
Louise's stem echoot nog wat na door het trappenhuis.
In mijn eerste jaar had ik college van hem, maar hij is nu met pensioen gegaan.Het heeft, denk ik, zijn dagen niet erg omgegooid. Nog altijd is hij bijna dagelijks op de universiteit.
Promovendi begeleiden, onderzoek doen, boeken schrijven.
Zijn haar is grijs, en hij draagt oude kleren en een alpinopet.
Als de deur van mijn kantoor openstaat, maken we altijd even een verlegen praatje.
Hij is bedeesd, alsof hij bang is dat ik hem elk moment kan wegsturen.
Dat doe ik niet.
Voor hem klikt de klok immers niet meer harder dan zijn passie voor de 17e eeuw.
Of zeventiend'eeuw zoals hij het zegt.
Hij is Vlaming, maar verraadt dit niet meer in zijn woorden, behalve als hij het over eeuwen heeft.
Hij vroeg een keer of ik de Westvlaamse raps van het hof van commerce kan verstaan, omdat ik uit Zeeland kom.
Voor ik het weet spreken we een half uur over, zomaar midden op de werkdag.
Hij helpt afentoe met een moeilijk 17e eeuws begrip, en moet zich merkbaar inhouden geen college van twee uur te geven.
Of hij heeft een verhaal over iemand die zijn vrouw een boek cadeau deed, het op haar toetsenbord legde en zo een groot deel van haar proefschrift wiste.
We lachen.
Vandaag liep ik mijn jas aandoend door het portaaltje bij onze kantoren.
Heel de dag had het gestormd en geregend. Hij keek op.
"Ga maar gauw, dan ben je misschien nog voor de buien thuis"
Dat vond ik misschien nog wel de mooiste.
|
|