Dichters krijgen vaak gedichten toegestopt van amateur-dichters, in het genre van "ik hou van jou, ik blijf je trouw" of "kom bij me terug, je bent een lieve mug" Mevrouw Enquist vertelde er vaak over, toen ik eind 2005 college van haar had.
Haar goede vriend Rutger Kopland had vaak middelbare vrouwen die hem gedichten toestuurden, ter beoordeling. Als hij dan een lezing geven moest, in Klaaswaal of Kloosterzande, kwam zo'n vrouw naar hem toe. Ze had hem hartverscheurend slechte gedichten toegezonden over het vertrek van haar man.
Hoewel slecht? Slecht is ook maar een kwestie van smaak, van mode, van publieke opnie. In ieder geval stonden er veel cliché's en manklopende rijm in het gedicht van de vrouw, het was op het onpersoonlijke af.
"Heeft u man iets persoonlijks achtergelaten?"vroeg meneer Kopland dus aan de vrouw. "Ja," zei ze na even nadenken "zijn sjaal, zijn sjaal die hij altijd droeg... die hangt er nog" "Schrijft u daar eens over, gebruik die als ingang voor wat u zeggen wilt"
De afgelopen weken is bij mij veel gebeurd, maar ik heb er nog niet over geschreven. Niet omdat ik het niet wilde, maar omdat ik de woorden niet kon vinden. En ik was bang de betovering te verbreken. Dat ben ik nog steeds. En ik vrees ervoor in clichés te vervallen.
Maar nu is er een voorwerp, waaraan ik het verhaal kan ophangen.
Er ligt een tandenborstel op mijn tafeltje.Wat is het toch met mannen, dat ze op de een of andere manier meteen spullen achterlaten. DVD's, shirts en tandenborstels dus.
Hij is nu mijn vriendje.
Ik moet nog wennen aan het idee.
De zon scheen, het was een heerlijke lentemiddag en ik liep naar het station. Geen winterjas meer, maar een colbertje.
Fijn altijd, die eerste zonder-jas-dagen. Ik droeg mijn flinke witte das nog wel, maar het voelde heerlijk.
"Black horse and a cherry tree" op mijn Ipod, vlinders in mijn buik. Volmaakt dus.
Er leunde een man over de brug, met een gigantisch fototoestel. Hij probeerde de rivier te kieken, maar keek licht-dromerig over zijn toestel heen.
Met een flits besefte ik, dat ik hem herkende. "Dat is smiling da vinci". Smiling Davinci is iemand die een account heeft op fotosite Flickr, ik herkende hem dus van zijn zelfportretten. Iemand uit de virtuele wereld, die zomaar in mijn echte rondliep. Wat een toeval. Wat een vreemde samenloop.Ik keek nog eens om me ervan te verzekeren, maar het was hem echt. Werkelijk waar.
Maar wat nu te doen?
Het leek me een bijzonder vriendelijke man, dus hem aanspreken was niet echt een risico. Gewoon zeggen "Hallo, ik ben zomerstorm! Jij bent Smiling Da Vinci he?"
Ik aarzelde. Hem aanspreken betekende van twee werelden, de webwereld en de "echte", één smeden. En daar heb ik schroom voor. Niet alleen omdat je elkaar in het echt vaak weinig te vertellen hebt, ook omdat het voelt als het uittrekken van een harnas. Ik blijf zo graag verscholen achter mijn scherm.
En door er dan weer een stukje over te schrijven, toon ik u aan hoe vreemd webloggers zijn.
Soit.
Met 17 deed ik het voor het eerst, meegaan als leidster op een kinderkamp.
Schminken, toneelspelen, kinderen entertainen, spelletjes bedenken, kinderen naar bed sturen, samen met andere stafleden.
Geweldig vond ik het. Ik bestudeerde de andere mensen, genoot van het samenzijn, het met elkaarmáken van een leuk kamp.
Zeven jaar achter elkaar deed ik het, elke zomer weer. Ik leerde er goede vrienden kennen, genoot van the time being, werkte heerlijk hard. Zomer, buiten zijn. Heel fijn.
Toen ik naar de randstad verhuisde, verwaterde het contact met de mensen van het kamp. Ik ging niet meer mee, na zeven zomers plezier.
Dat is nu drie jaar geleden. Elke zomer dacht ik wel even aan "kamp". Ik overlegde vorig jaar zelfs nog met Lupe, of we het nog eens zouden doen.
"Nee moeten we niet doen" zei Lupe " het is zo geweldig geweest, we moeten de herinnering niet verstoren door weer te gaan".
Daar legde ik me toen enigszins bij neer.
Echter, de laatste tijd knaagt het weer. De herinneringen, het gevoel er helemaal uit te zijn, met een groep een kamp te máken. Het was fantastisch.
Het zou geen sentimentele herhaling van zetten zijn, maar een doorstart misschien.
Ik ben wel nieuwsgierig of ik het nog kan, zo tussen de mensen die normaliter niet in mijn wereldje zouden zijn.
Het zou goed voor me zijn, denk ik. Maar ook dodelijk vermoeiend en veel gedoe bovenop al het gedoe.
Het voelt als het vinden van een onverwachte verhuisdoos op zolder, vol weemoed.
Ik twijfel met een glimlach, of ik van zeven zomers acht zal maken.
Dichter W. drinkt graag een biertje. Ik ook. We beoefenen deze hobby graag samen, raken eigenlijk nooit uitgepraat. Ik kan me in hem herkennen, van hem leren, hem verschrikkelijk in de zeik nemen en meer van zulks.
Meestal gaan we samen iets drinken, als we een drukke dag achter de rug hebben. Begint dichter W. de avond rustig en bedaard, op het eind van de avond stuitert hij van energie. Ofwel: hij heeft een blije, energieke dronk.
Ik niet.
Ik heb een vrolijke, maar suffige dronk.
Na een paar biertjes begin ik naar mijn kamertje, naar mijn bed te verlangen. Naar slaap. De dag die ik beleefde, passeert de revue en hoe meer ik besef wat ik allemaal gedaan heb, hoe moeër ik word en hoe meer ik ga beseffen hoe heerlijk het zou zijn om bij een herhaling van een herhaling van De Wereld Draait Door langzaam dromenland in te wandelen.
Terwijl ik zo wegzak, krijgt dichter W. grootste plannen. Het begint er vaak mee, dat we moeten gaan Dansen van dichter W. En als we dan niet gaan dansen, dan wel naar een volgende kroeg en verder. En als we dan niet naar een volgende kroeg en verder en ook niet dansen, dan wil hij op een der kamers nog wat nuttigen.
Ik wil niets, ik wil gewoon naar mijn mandje.
Zo gaat het de laatste tijd vaker. Dichter W. beticht me al grappend van burgerlijkheid en ouderdom.
Ik ben blij dat ik eindelijk eens voel wanneer het genoeg is, wanneer ik slapen wil. Wat de grenzen zijn.
Het is fijn om te genieten van je rust, van je kamertje, van het wegzakken.
En langzaam begin ik me erbij neer te leggen, dat het dichter W. eigenlijk nooit genoeg is. Dat hij altijd wil doorgaan en dat zijn energie tomeloos is.
Ik ben misschien gewoon eerder moe, of ik heb wat eerder signalen ervan.
Gelukkig, onze vriendschap lijdt er niet onder.
Maar, wie kent er nog een manisch maatje voor dichter W.?
Aanmelden na vieren graag.
Studente in de laatste fase van mijn studie zijnde, denk ik vaak na over wat ik wil worden. Ik weet erg goed wat ik niet wil, ik weet ook waar ik niet goed in ben. Maar als ik denk aan wat ik wel wil en aan wat mogelijk is dan bevind ik me in een mistig gebied.
Mistig, maar niet onprettig. Het gevoel dat het goedkomt, overheerst alle vraagtekens heus.
Het grootste gevoel is, dat ik van nut wil zijn.
Ik heb geen zin om als wetenschapper in een papieren wereld te verblijven, zo iemand die een maand dood in zijn kamer kan liggen zonder gemist te worden.
Meer en meer wordt me duidelijk dat ik AIO worden en promoveren niet de enige weg voor me zijn, niet het hoogste doel. Goed, de passie voor de middeleeuwen en literatuur is zo groot, dat ik er best mijn werk van zou willen maken. Ik zou het heerlijk vinden om onderzoek te doen en les te geven. Het liefst aan de universiteit.
Dan zou ik in september een onderzoeksmaster kunnen gaan doen, die me dus opleidt voor onderzoeker en verder.
Maar, ik word ik er niet gelukkig van, als heel de tijd de nadruk ligt op presteren. Ik wil gewoon zo lekker doorgaan als nu, niet heel de tijd paniekerig en met toegeknepen billen studeren omdat mijn cijfergemiddelde niet in het gedrang mag komen of omdat ik briljant moet zijn.
De hulpverlening, het vak waarvoor ik eigenlijk ben opgeleid, lonkt. Maar ik ben natuurlijk niet voor niets verder gaan studeren. Dus een combinatie daarvan zoeken, dat lijkt nu het devies.
Dat moet wel lukken. Iets in de politiek, of bij een ideële organisatie, dat lijkt me wel wat.
Toen ik vanmorgen in mijn krant iets las over mishandelde vrouwen, voelde ik de oude vlam weer opgloeien.
Tevreden liep ik naar de universiteit. Het is prettig te weten wat je wilt worden, de bomen te zien wijken voor een weg.
Het voelde ook extra fijn aan, om aan het handschrift te gaan werken. Nu kan ik dit nog doen, straks breekt een andere fase aan.
Besef het dus maar goed, zei ik tegen mezelf, en geniet ervan.
Toen ik goed en wel geïnstalleerd was met mijn laptop en het opgevraagde kleinnood in de leeszaal bijzondere collecties, stapte de hoogleraar de zaal in.
Onze hoogleraar Middeleeuwen, professor. G, is niet alleen bijzonder lang, maar ook bijzonder dun, een levend liniaal. Ik herkende hem dus subiet.
"Mooi," dacht ik nog "goed dat hij ziet dat ik noestig werk hier"
Professor G. stapte op me toe en fluisterde "ik hoorde dat je geinteresseerd bent in de onderzoeksmaster".
"Och" zei ik. Hij vertelde me dat hij gemaild had, om te vragen wanneer ik op gesprek wilde komen bij hem.
Ik zei vriendelijk dat ik hem zou terug mailen.
Aan het eind van de ochtend onderbrak ik mijn werk even, voor koffie met Isabel. Even uitblazen.
Een ganse werkdag boven een handschrift hangen, is voor niemand goed immers.
Toen ik terug was prijkte een gele post it op de plek waar ik zojuist had zitten werken.
" AUB professor G. terugbellen, toestel 2121" stond er op geschreven in een krullerig handschrift.
Blozend vroeg ik de bibliothecaris of ik even mocht bellen.
Er werd mij een toestel toegewezen in het prentenkabinet.
Professor G. vroeg of ik 26 maart kon, voor het gesprek over de master.
Prima datum, vond ik. Geen probleem. Ik wil er best over praten, eens goed horen wat het inhoudt.
Vreemd, toen ik eerstejaars was had ik ervan gedroomd, was dit het súmmum geweest : de hoogleraar die persoonlijk achter me aangaat opdat ik met hem over de onderzoeksmaster wil spreken. Maar nu, vond ik het een lastige onderbreking van mijn werk in de bibliotheek, mijn plannen en mijn gedachten.
Is dit een typisch geval van dingen die naar je toe komen juist als je ze loslaat?
Vandaag bezocht ik mijn moeder. Zaterdag en mijn moeder, betekent dat we gaan lunchen in de binnenstad.
Al meer dan dertig jaar bij dezelfde zaak.
Koffie kost er een euro, dus het is er altijd stampvol. Zeeuwen zijn niet bourgondisch, behalve als het bijna niks kost.
Soms wordt er zelfs een appelbol besteld.
Naast ons namen twee serieuze types plaats.
Jonger dan ik, vierentwintig. De één een jaren 80 kapsel met veel gel.
De serveerster wilde de bestelling opnemen, maar dat kon nog niet.
"Mijn schoonmoeder komt nog" zei het kapsel tegen de serveerster. Ze proefde het woord "schoonmoeder". Je zag hoe ze het op haar tong al een paar keer zalig had laten rondwentelen, als een snoepje wat je niet wilt doorslikken omdat het zo lekker is. Ze nam tijd om het uit te spreken.
Schoon-moe-dur.
Haar ogen straalden erbij. Het was blijkbaar een statussymbool.
Het was mooi om te zien hoe trots ze was, hoe fijn ze het vond.
De echtgenoot werd zelfs even opgebeld, om iets te bespreken.
Ze waren bondgenotes deze vrouwen, zoveel was zeker.
Er zijn vele wegen om gelukkig te worden, besefte ik opeens.
Ik werd er zomaar vrolijk van.
"Je mag er niet hardop praten " zeg ik. De trompettist loopt naast me, blij en enthousiast.
We gaan een handschrijft bekijken, hij vindt het geweldig.
We treden de kamer binnen, de ruimte voor bijzondere collecties. Dit zou zo kunnen voorkomen in 'het bureau' van Voskuil, of Koot en Bie.
Ik schrijf me in. Mijn adres, mijn naam, mijn nationaliteit, wat mijn onderzoeksdoelen zijn.
De trompettist moet zich ook inschrijven. Dan moet ik een briefje inleveren en mijn collegekaart.
Vervolgens wijst men mij een plaats toe.
Zo gaat het hier.
De trompettist kijkt zijn ogen uit, ik merk dat ik het al helemaal gewend ben.
Mijn handschrift wordt me gebracht na tien minuten.
Ik leg het op zijn bedje, met een schermpje erover en een leeslint.
Ik begin te transcriberen.
Hij kijkt bewonderend, heeft veel vragen. Of ik dat allemaal kan lezen. Of ik al die afkortingen snap.
"Eigenlijk wel" antwoord ik en verbaas me erover hoeveel handigheid je opdoet in korte tijd.
Tuurlijk maak ik fouten, maar het gaat me elke dag meer in de vingers zitten.
Normaal heb ik dat niet door. Ik zwoeg, noestig. Maak me druk om woorden die ik niet begrijp, om het lage tempo.
Want opschieten doet het nooit, een afschrift maken.
Frappant hoe je, met de ogen van een ander, pas kunt zien dat je eigenlijk best goed bezig bent
De grote dag was aangebroken ; Anne trok bij de scheidsrechter in.
We spraken om 9:00 's morgens af, om haar spulletjes te verhuizen naar zijn appartement in een trapgevelgebouw.
In een uurtje was alles beneden, in de volgestouwde boedelbak.
We gingen.
Twee straten verder ging ze wonen.
Aangekomen bij het trapgevelgebouw vormden we een menselijke ketting op de wenteltrap.
Het ging razendsnel.
Verhuizen is een gezellig, fascinerend en intiem karwei. We zagen wat ze eten, lezen en schoonmaken.
Je ziet hoe mensen zich gedragen, hoe mensen hun snor drukken, hoe mensen te hard werken.
Een broodje mocht ik klaarmaken, op het aanrecht.Opeens stond ik oog in oog met hun koelkast.
Een grote gezellige, precies zoals S en ik hadden. Bomvol met biertjes, bakbenodigdheden, allerlei dingen die samenwoners in huis hebben.
Bizar hoe oud verdriet je opeens bij de keel kan grijpen. Geen jaloezie, het ging niet om S,niet omdat ik niet samenwoon, maar iets groters, ondefinieerbaar.
Oud zeer. Ooit had ik een huis. Heimwee.
Nu heb ik ook een huis, maar het is toch anders.
De circel der liefde draait altijd door. Goed, elke dag geeft iemand het op, elke dag gaan mensen uit elkaar, maar elke dag worden mensen opnieuw verliefd, altijd gelooft iemand ergens. V§
orig jaar geloofde ik nergens meer in, maar sinds kort merk ik dat mijn hart het weer doet, dat het weer kan. Ik geloof weer. Ookal ben ik banger dan vroeger, ik durf ook meer dan vroeger omdat ik nu zo weet hoe betrekkelijk het kan zijn.En we lijken zo sterk, maar ergens zijn we allemaal zo weerloos als iets van waarde wordt. Hoe mooi en pijnlijk is dat.
Ik hervatte mezelf en zette boekenkasten in elkaar met Anne.
De scheidsrechter maakte foto's van ons toen we ons verdiepten in een oud schoolboek.
Altijd heb ik gedacht, dat mijn hoofd de verwarrendste ruimte was waar ik ooit zou geraken.
Mijn richtingsgevoel bedriegt me haast nooit en anders heb ik altijd wel een gids die me verteld wat ik eigenlijk al wist.
Ik weet altijd snel de weg, dacht ik.
Toen kende ik de Koninklijke Schouwburg in Den Haag nog niet.
Sander en ik bezochten er vandaag 'n literair festival. We besloten dat de architect een berisping verdiende voor zijn abominabele prestatie.
Een stelstel van gangen en verdiepingen, geheel onlogisch. Zelfs Escher had er het bijltje bij neergegooid.
Toen ik naar de het toilet ging, moest ik langs een bord met "geen doorgang" en een hekje. Nietsvermoedend stond ik opeens in de artiestenfoyer, me een weg banend langs Thomas Roosenboom en Tommy Wieringa. Toen ik terugkwam, was de weg die ik gegaan was, afgesloten. Ik moest anders terug. Gelukkig was Sander zo wijs geweest, op precies dezelfde plek op mij te wachten als waar hij me laatstelijk had gezien.
De foyer was totaal onlogisch ingericht, iedereen liep tegen iedereen aan, de looprichtingen klopten niet.
Zelfs de artiesten op het podium zeiden er soms wat van.
Een mens heeft niets aan ergernis; nog nooit hadden we zoveel lol om een gebouw.
En het was ook super om Mustafa Stitou, Esther Jansma, Remco Campert, Arthur Japin en Aart Staartjes te zien optreden natuurlijk.
Het café is een oude koffiebranderij en werd later gebruikt als pakhuis voor wijnen, likeuren en andere dranken. Druk was het er, vooral veel jonge mannen in colberts en overhemden. Ze waren nauwelijks uit elkaar te houden.
In de verte wat mensen van mijn studie.
Dichter W. en ik zaten onder de trap in een hoekje verscholen. We spraken nauwelijks, keken maar zo'n beetje voor ons uit.
Als men ons gezien had, had men vast gedacht dat we ruzie hadden gehad, net vreselijk nieuws hadden gehoord, of op zijn minst zo'n uitgepraat duf stel waren geworden.
Maar, niets van dat alles. We hadden een film gezien die veel indruk maakte, de film over het leven van Edith Piaf.
En bij echte vrienden mag je dan gewoon even zwijgen, voor je uit staren. Je hoeft stiltes niet op te vullen met zinloos gepraat.
Heerlijk is dat, zwijgen. En ook best even wennen, om eerlijk te zijn, zomaar mogen zwijgen is heel wat voor een kletsmajoor als ik.
Edith Giovanna Gassoin, zoals Edith Piaf eigenlijk heette, werd in 1915 geboren. Ze groeit op bij haar oma in een bordeel in Normandië. Later reisde ze samen met haar vader met het circus mee. Vanaf haar negende zingt ze op straat om haar brood te verdienen. Louis Leplée ontdekte haar en laat haar optreden in zijn nachtclub.Verder word je meegevoerd in een liefdesgeschiedenis, veel gezondheidsproblemen en een geheim dat ze haar hele leven bij zich gedragen heeft.
Het is wat veel, deze film. Zeker omdat de film qua tijden door elkaar loopt; min of meer chronologische gebeurtenissen worden rap afgewisseld met beelden uit Ediths latere leven. Edith Piaf is zevenenveertig als ze sterft, maar dan is ze al een bejaarde, kromme vrouw met een door drank en morfine geteisterd lichaam. Als je het verhaal net begint te volgen, zien je Edith optreden als veertigjarige, blind worden als driejarige, oud en versleten zijn als zevenenveertigjarige, vervolgens op drugsgebruik betrapt worden als dertigjarige.
In veel recensies staat, dat door die flashbacks de gebeurtenissen hun impact verliezen. Ik ben het daar niet mee eens, het is juist mooi om je te laten overweldigen, je hoeft niet altijd precies op de seconde te weten waar je bent en hoe het zit. Dan kun je beter een tijdbalk lezen. Juist met het medium film, kun je zo prachtig meegesleept worden.
De zinnen mogen best een beetje overmeesterd worden.
Dat was in ieder geval, waar dichter W. en ik nog een beetje van nagenoten en natreurden.
Misschien heb je dan wel een goede film gemaakt, als je ons zo kunt doen zitten.
Gaat dat zien!
"Het was zo heerlijk weer eens iets alléén te doen," zei ze.
Ze glimlachte alsof ze een groot onverwacht cadeau in ontvangst had genomen.
Ze had twee afspraken gehad die dag, waar úren tussen zaten.
In die uren was ze naar Scheveningen gegaan, om in haar eentje thee te drinken en langs het strand te lopen.
Haar leven heeft een grote vlucht genomen in de afgelopen vier maanden.
In november ontmoette ze de scheidsrechter, binnenkort trekt ze bij hem in.
Voor ons misschien even wennen, maar voor haar logisch en het meeste juiste wat ze kon doen.
Ze gaat in korte tijd van jarenlang single naar vrouw-met-partner.
Ze vindt zichzelf opnieuw uit.
Meestentijds gaat het vanzelf, maar voor haarzelf zal het ook soms een donderslag zijn bij heldere hemel.
Ookal roep je de donderslag zelf af, je weet soms niet hoe heftig hij zal zijn.
"Dat is het belangrijkste, dat je het met jezelf kunt vinden" hoor ik mezelf zeggen.
Jammer dat ik niets beters heb, schiet het door me heen, iets beters dan dit cliché.
Maar clichés zijn altijd waar, daarom zijn ze clichés geworden.
Als ik iets in het afgelopen jaar single-schap heb geleerd, is het wel hoe belangrijk het is dat je met jezelf kunt opschieten.
Dat het belangrijk is om te kunnen voelen, dat je het ook alleen kunt.
Dat je altijd op je terug kunt vallen. Dat je altijd zelf zult zorgen dat het goedkomt.
Ik herken veel in haar.
Zij en ik hebben dat de afgelopen tijd aan onszelf bewezen, dat we alles alleen kunnen.
We deden het zo goed, dat het lastig is geworden te geloven dat je ook mét iemand kunt zijn.
Maar het kan, je komt soms iemand tegen die met liefdesgeweld je hart openbreekt.
Dit alles overdacht ik vandaag in mijn eentje thee dronk.
Door een fout van directiesecretaresse, was ik opeens veel eerder vrij dan gedacht.
Er flitsten 100 dingen door me heen die ik kon doen, nuttige dingen en slimme dingen.
En ik besloot ze allemaal niet te doen.
Het was niet persé om dingen te overdenken, maar gewoon om even rust te vinden in de rimram van de tijd.
Als je afentoe thee drinkt in je eentje, komt het goed.
|
|