Je koopt een jas. Dit is dé jas, denk je, voor de rest van je leven geen andere meer nodig.
Niet alleen onverslijtbaar, maar ook flatteus. De kleur staat prachtig, het model doet iets voor je figuur.
En hij is niet zoals alle anderen. Je blijft ook uniek.
Drie jaar later. "Daar heb je haar weer, met die jas" denk je als je jezelf ziet in een etalageruit. Een kleur die leuk staat in 2004, is dat in 2007 niet altijd meer. En je bent flink afgevallen, dus dat model hoeft niet meer.
Je hoort mensen fluisteren over je jas. Hij verslijt.
Zo kan het ook zijn met een weblog. Tuurlijk, je schrijft graag. Ziet het zelfs als een levensbehoefte, en overdrijft dan niet eens.
Maar, het model bevalt je niet meer.
Je hebt een monster gecreeërd, weet je. Het was naiëf om te denken dat alleen de mensen het zouden lezen die je wilde.
En geen exen. Of vrienden van exen. Of collega's, dat is misschien nog wel het vervelendst.
Het was naiëf om te denken dat je echte persoon geen last zou krijgen van je webpersoon.
Wat je zult doen, weet je nog niet.
Jou zullen ze de mond niet snoeren, dat geenszins.
Maar je gaat even een andere manier zoeken.
Een andere jas misschien?
U hoort heus nog wel van mij.
Mijn moeder is een oude feministe. Nee, ze heeft niet letterlijk op de barricaden gestaan, noch heeft ze deel uit gemaakt van aksie – of praatgroepen.Het zat meer in lef hebben op het persoonlijke vlak. Een broek aandoen naar haar werk, bijvoorbeeld. En een kind krijgen zonder man, niet te vergeten.
Feminisme is mij dus met de paplepel ingegoten.
Hoewel ik een heel andere versie nastreef, ik vind dat mannen en vrouwen zo gelijk en zo vrij mogelijk moeten zijn en ben niet persé voor positieve discriminatie van de vrouw, schroom ik niet mezelf feministe te noemen.
Daar schrikken mensen, vooral de mijn studiegenotes, vaak nogal van. Feminisme is voor hen je okselhaar laten wapperen in de wind, en tuinbroeken dragen. Maar, als ik uitleg wat ik eronder versta is men het vaak met me eens.
Radicaal zijn we echter niet meer. Omdat we nooit veel hebben moeten bevechten, zijn we een tamme, ietwat onverschillige generatie aan het worden. Verwend en gewend zijn we. En terecht, het waren onze barricaden niet.
Vorig week nestelde ik me echter bij mijn moeder in Zeeland op de luxe tuinstoel met het Volkskrantmagazine. Ik las een interview las met Heleen Mees, 39 jaar oud, econome en juriste, adviseur Europese Zaken bij Ernst & Young in New York, columniste van NRC/Handelsblad, oprichtster Women on Top.
“Een powerfeministe van de nieuwe stempel” noemt Hanneke Groenteman haar.
Heleen zegt, dat vrouwen wel alles willen, maar als dat teveel moeite kost gauw laten schieten. Haar generatie werkt een beetje, moedert een beetje en emancipeert een beetje.. Niet te ambitieus, niet te strijdlustig, niet te onwelgevallig voor je (mannelijke) omgeving. En dus in niks een top bereiken en dat wijten aan een glazen plafond, dat ze zelf dankbaar in stand houden. Heleen Mees heeft zin om te provoceren, te vechten, maar ze wil ook gezien worden als iemand die begeert en begeerd wordt. Dat zijn delen van haar persoonlijkheid waarvan ze niet snapt dat ze afbreuk doen aan mijn denkend vermogen.
Het klonk er goed en waar, hoewel ik niet weet of deze tijd nog vraagt om provocatie. Misschien vraagt deze tijd om een andere feministische golf, eentje in daden zonder veel erover te praten. Je moet het misschien gewoon zijn.
24 april verschijnt Heleen's boek “Weg met het deeltijdfeminisme!”.
Tijd om er in ieder geval erover na te denken, ideeën te smeden.
Weet iemand een ander kledingstuk?
Er lag een grote, gifgroene envelop in de bus. Aan mij gericht. Sierlijk handschrift.
Nog geen idee.
Maar toen ik de kaart uit zijn enveloppe bevrijdde, wist ik meteen van wie hij was.
Ik zag namelijk Waldorf en Statler. Dan kan het maar van één persoon zijn.
Er is maar één persoon met wie ik zo op die mopperende, eeuwig eens zijnde mannetjes lijk.
De kaart was van Reineke, natuurlijk.
Het langverwachtte nieuws, ze schreef dat ze in verwachting was geraakt.
Al een poos was er die wens, en nu was het dan zover.
Toen ze deur opende, bekeek ik haar eens goed. Ze was mooi, een beetje moe..
Maar niet anders dan anders. Geen compleet anders mens.
Haar stem was dieper, leek het. Maar dat kon ook mijn verbeelding zijn.
We zaten in haar mooie huis, met diepblauwe en rode muren.
Precies, zoals ik het ook zou willen, als er weer een huis was voor me.
Haar man zat op de bank. Hij was wel anders, rustiger. Misschien meer down to earth.
Er komt een kindje, een kindje van Reineke. Als zij een kindje krijgt, krijg ik zelf ook een beetje een kindje, lijkt het.
Ookal heb ik nog lang geen plannen en ben ik met heel andere dingen bezig.
Nu worden we echt groot
Het hek kraakt en steunt, ging maar moeilijk open.
Dan wandelen we gezamenlijk, mijn ouders en ik, het pad op.
De laatste keer dat ik er liep was drie jaar geleden. Het vroor en stormde.
Dat hoort ook zo, op begrafenissen van tantes vind ik.
Vandaag bescheen de zon ons en maakte er lange schaduwen.
Het was windstil.
Er wordt niet veel gestorven in het dorp waar ik ben opgegroeid.
Je kunt er nog graven uit de 19e eeuw vinden, gevallenen uit de oorlog, een kinderveldje.
Het is simpelweg niet nodig ze te ruimen.
Er wordt ook niet veel gerouwd, althans niet in het openbaar.
Doodgaan is een noodzakelijk iets, wat niet met teveel drama gepaard mag gaan.
Het lijkt soms zelfs een beetje genant te zijn, iets wat weggemoffeld dient te worden.
Buurman Machiel heeft niet eens een steen op zijn graf.
Mijn tante ook niet, maar zij heeft bloemen een stenen hond die altijd in haar tuin stond.
Mijn oog valt plots op de ene grafsteen.
Een jongen die leefde van 1973 tot 1996. Ik wist nog wel dat we hem opeens nooit meer zagen, maar had er nooit over nagedacht waarom.
Mensen verdwijnen wel vaker uit mijn geboortedorp, je zou het ook vluchten kunnen noemen.
We vonden de jongen maar vreemd, en zonderling. Hij was altijd alleen, altijd zwijgend. (Lijdend, denk ik nu)
Kinderen voelen feilloos zo'n groot verdriet aan en gaan het uit de weg omdat ze er zelf niets mee kunnen.
De foto op zijn steen is tijdloos, hij kon een soldaat uit de eerste wereldoorlog zijn.
En dan de moeder van een oud schoolvriendinnetje.
Toen ik bij haar dat vriendinnetje kwam spelen, moet die moeder net zo oud zijn geweest als ik nu.
Vreemd besef.
Het rook in hun nieuwbouwwoning altijd naar appels vond ik, een beetje misselijk werd ik ervan.
Alsof ze appels in partjes sneed en ze dagenlang op het aanrecht liggen liet.
Maar appels zag ik er nooit.
Een levercirrose, hoorde ik later.
Het waren geen appels geweest, die ik geroken had.
Verder zag ik het graf van onze buurvrouw.
En het graf van de vrouw van de groentenboer, van wie ik altijd even bij haar twee varkens mocht kijken.
Zo loop je daar dan, over het kerkhofje.
"Je moet er een boek over schrijven" zei iemand laatst tegen me "zo'n jeugd heeft niemand gehad"
Tja, wie weet.
De muziek beviel me niet en ik zat niet lekker in mijn vel, terwijl daarvoor geen enkele reden was.Een poosje had ik het nog geprobeerd, het feest leuk te vinden. Maar het gelukte niet.
Ook niet als ik even ergens anders heen liep, of als ik even naar de WC ging en me voornam dat het tof zou zijn als ik terugkwam.
"Sorry, ik ga naar huis" zei ik tegen Jack. Hij keek me verbaasd aan, want het was nog nooit vertoond dat ik eerder weg wilde dan hij.
"Ik blijf nog" zei hij vastbesloten. Toen ik nog even omkeek zag ik hem alleen tussen de mensen staan, een biertje in de hand en een snoepketting om de hals.
Het thema van het feest was immers candy.
De volgende dag belde hij me.
Het was een geweldige avond geworden, want hij had Een Heel Leuke Man ontmoet.
Zo leuk, dat hij zelfs een beetje de kriebels kreeg, en dat was al lang niet vertoond.
Hij was alleen maar bezig geweest met pijn van zijn verbroken relatie, die twaalf jaar geduurd had.
Wat nu? Hij had geen telefoonnummer gevraagd, geen mailadres gekregen. Hyves bestond nog niet.
Hij wist alleen dat Chris etaleur was bij V&D in een bepaalde stad.
"Dan zit er maar één ding op" zei ik. "Je zult daar dus naartoe moeten"
"En dan?"vroeg Jack. Hij werd een beetje wit om zijn neus.
"Een leuk kaartje achterlaten, waarin je schrijft dat je koffie met hem wilt drinken. En je nummer erbij"
Hij durfde het niet. Hij wilde het wel. Hij zou het doen.
Aldus geschiedde.
Ze werden een stel.
En gisteren viel een mooie kaart in de bus.
Ze trouwen 7 juli.
Mijn bril was ik vergeten, thuis. Ik baalde ervan, maar niet lang. Eigenlijk was het best fijn om de gedichten tot je te laten komen in een vage wereld.
Scherp zicht is niet altijd nodig voor poëzie.
Rachelle en haar vriendin waren al eerder vertrokken. Dichter W. en ik zaten in de nok van Vredenburg. We genoten van de woordenstroom, zagen helden als Rutger Kopland en Joke van Leeuwen. We hielden terstond van Al Galidi, die het had over vla die van angst trilde.
We lagen in een deuk om zanger Sven Ratzke, die vanuit de zaal op kwam in een fout pak.Ik begreep niets van Nachoem Wijnberg en Erik Jan Harmens.
We ergerden ons aan Anneke Brassinga en aan het klapvee-gedrag van het publiek (na een gedicht zwijg je, we zijn de 5 uur show niet!)
We aplaudisseerden hard voor Roosbeef (op wie dichter W. spontaan verliefd werd, ik zag het aan zijn ogen)
We sliepen in de nachttrein, die meer dan een half uur vertraging had.
Ik liep naar huis met een Lucebert-reciterende dichter W. naast me, in de nacht.
|
|