
Ze stonden voor deur met zijn vieren, gisteravond rond de klok van negen.
Het was zover: amper tien dagen na mijn besluit mijn kast te verkopen, werd hij al opgehaald door de koper.
Hoewel ik op Marktplaats werd bedolven door de potentiële kopers, besloot ik ‘m over te doen aan Chael, grote broer van mijn vriendin Anna. Gewoon, omdat ik dat het leukst vond, weten waar hij heen ging en een vriendendienst in één klap.
Toen Chael de kast kwam bezichtigen, keek hij bewonderend naar mijn tafel.
"Gaat deze ook weg? " zei hij.
"Nee" zei ik resoluut.
Van mijn tafel wilde ik geen afstand doen, mijn tafel was me lief.
Ik had m al jaren, hij heeft littekens van allerlei feestjes en etentjes.
Gedurende de dagen erna, ging ik de tafel heroverwegen.
Zijn kringen en plekken zijn prachtig.
Geschiedenis laat zich zelden zo goed tonen.
Ik dacht aan alle uren, dat ik aan hem gestudeerd
en geschreven had.
Maar, ik dacht ook aan mijn nieuwe zolderkamer,
waar ik eind augustus zal intrekken.
De kamer is niet zo groot en heel licht.
Mijn tafel zou er nogal grotesk zijn,
erg veel ruimte innemen.
Eigenlijk té grotestk en teveel ruimte, realiseerde ik me.
Ik zei Chael dat ik op mijn schreden terug wilde keren,
we sloten een goede deal.
En zo kwam het, dat gisteravond de sjouwploeg alles mee, mijn boekenkast en mijn tafel.
Ik dacht nooit van hen te scheiden, maar uiteindelijk drong glashelder tot me door dat spullen maar spullen zijn.
Het zijn volgens mij meer de herinneringen die eraan vast zitten,
waar je aan gehecht bent.
Het is onterecht om die aan een voorwerp te bevestigen,
herinneringen blijven toch wel.
Tafel of geen tafel.
In de vakanties geeft het museum knutselworkshops. Een heel creatief iemand bedenkt iets wat we kunnen knutselen met kinderen, gerelateerd aan de tentoonstelling die we hebben op dat moment. Zo hebben we gipsafdrukken gemaakt, springende kikkers van papier,en zeep.
Nu, ik ben absoluut geen knutselaar. Al van kind af aan heb twee linkerhanden, bovendien ben ik gewoon nooit geïnteresseerd geweest. Toen ik een kind was, was ik meer van lezen en het banjeren door de polder in zelfbedachte films.
Vaak moet ik dus het proces begeleiden van iets wat ik zelf niet snap en kan.
En, alsof dat al niet erg genoeg is, ben ik niet zo goed met kinderen. Ook dat had ik al toen ikzelf een kind was. Ik doe zoals ik tegen iedereen doe, bezit geen speciale kindermodus.
Omdat kinderen gewend zijn in de kindermodus benaderd te worden, vinden ze mij vaak maar een vreemde mevrouw.
Dat uitgerekend ik knutseljuf ben, is een goede grap van de kosmos.
Vandaag stonden er panfluiten op het programma, en sambaballen. De kinderen waren erg jong, vier of vijf. De sambaballen waren het populairst, je hoefde maar wat rijst in een flesje te stoppen en het flesje dicht te plakken met plakband. Voor een vierjarige goed te overzien. Hoe simpeler te maken, hoe sneller resultaat, hoe blijer de kinderen. Dat maakte het gezellig.
Eén jongetje kwam wat timide binnen. Zijn grote ogen keken bangig, maar zijn gedrag was niet verlegen. Hij stelde voortdurend allerlei vragen. Hij wilde echter niets doen, had geen zin in panfluiten. Daar kon ik inkomen. "Wil je een tekening maken?" vroeg ik hem. Dat wilde hij wel.
Toen hij de tekening gemaakt had, voelde hij zich genoeg op zijn gemak om tenslotte toch een sambabal te maken.
Ik liep druk heen en weer tussen de tafels met kinderen, toen het jongetje naar me toe kwam.
Hij kwam nauwelijks tot mijn heupen, zag ik toen hij de tekening in mijn handen stopte.
"Dat ben jij" verklaarde hij.
Ik lijk omringd door regen, maar blijf ondanks alles lachen, op de tekening. Heel intrigerend.Mooi portret. Later op de ochtend kreeg er nog één.
Sommige kinderen weten een slechte knutseljuf te waarderen.

Binnenkort ga ik verhuizen. In het besef dat ik kleiner ga wonen, gooi ik veel weg en ruim ik veel op. Het is welhaast een spirituele ervaring me te ontdoen van al die ballast, oude dingen in vuilniszakken te steken en ze aan de straat te zetten. Ik voel me zowaar lichter.
Opruimen is ook een enorme confrontatie met jezelf. Je ziet wat je gekocht hebt en nooit gebruikt, je ziet wat je steeds kwijtraakt (ik heb 6 pincetten), je komt oude foto's tegen en CD's die je ooit grijs draaide.
Maar, wat ik het allermeest tegenkom is lijstjes. Achterop enveloppen, in collegeblokken en op mijn NRC-notitieblok. Vaak gaan ze over huishoudelijke plannen. Als ik op een vrije ochtend wakker word, duizelt het me van de gedachten en dingen die ik zou moeten doen. Het enige wat helpt, is me neer te zetten om en een lijstje te maken. Met asterixjes ervoor, orden ik mijn dag dan.
Ik maak ze ook voor werk en studie. Sterker nog: het is het eerste wat ik doe als ik op kantoor zit, een dagplanning. Ik sta erom bekend bij collega's. Afvinken voelt als victorie, maar er zijn regelmatig lijstjes die niet helemaal doorgestreept worden, vooral de laatste punten worden vaak doorgeschoven of afgesteld. Het is me puur om houvast te doen, daarna kan ik de chaos wel weer aan.
Lijstjes heb ik niet altijd gemaakt, ik doe het nog maar een jaar of vijf.
Het ontstond toen ik in de gehandicaptenzorg werkte, in een gezinsvervangend tehuis. In de overdrachtsmap stond, wat die dag moest gebeuren. Het was vaak best ingewikkeld om te onthouden dat ik de voeten van cliënt P moest insmeren en cliënte W haar zakgeld moest geven. Ook zat er vaak een briefje in de map, wat mijn leidingevende, Marjan, erin had gestopt. Puntsgewijs schreef ze op wat er nodig was, waar ze zelf niet aan was toegekomen. Het enige wat ik hoefde doen was de andere punten toevoegen. Zo verliep het allemaal gesmeerd, en Carrie het grote warhoofd vergat nooit meer wat. Al snel wonnen de lijstjes terrein.
Grappig hoe collega's een zodanige grote invloed kunnen hebben, ookal werk je maar een jaartje met ze samen.
In Zeeland, waar ik opgroeide, was een rijbewijs felbegeerd. Zonder auto kwam je nergens.
Naar de bioscoop gaan was een rit van veertig kilometer, het strand, bezoek aan vrienden ... je wilde wel graag rijden. Anders was het wachten op de regiobus of trein, 's avonds geen doen en vrijwel nooit een logische verbinding. De bus naar mijn school deed tien dorpen aan, om maar wat te noemen.T
Toen ik twintig was, haalde ik mijn rijbewijs. Op het roze papiertje kijkt een enorm blij meisje me aan, met een magische glimlach. Een grote horde in mijn leven was genomen, zo voelde ik het.
Eindexamen halen, eerste vriendje, gaan studeren, rijbewijs : de mijlpalen van de adolescentie, vond ik.
Met 18 was ik al beginnen lessen, ik zou in totaal vijf keer afrijden. Niet omdat ik zo'n onverdienstelijk chauffeur ben. Goed, ik ben geen hoogvlieger, vaak te voorzichtig, maar daar lag het niet aan. Het kwam door de zenuwen. De afrijdatum werd groots en afschrikwekkend. Zwetend en witjes verscheen ik, om vervolgens in een grote paniekstuip het examen te volbrengen. Geen enkele examinator laat een bange vogel slagen, nogal wiedes.
Maar uiteindelijk lukte het, door een list. Mijn instructeur zou me de datum niet vertellen. Elke les bracht ik mijn paspoort en theoriecertificaat mee, elke les kon examen zijn. Op een dag reden we langs het CBR en mijn instructeur zei "kom, we gaan examen doen". De adrenaline schoot deze keer góed. Ik slaagde.
Vandaag reed ik van Hoofddorp naar Amsterdam, van Amsterdam naar Leiden en van Leiden naar Hoofddorp. Nog altijd voelt het zo bijzonder als die eerste keer zonder instructeur. Het is een gevoel van vrijheid, misschien wel macht, en zelfbepaling.
Ik kan genieten van voorrang krijgen, gas geven, inhalen, alles.
Misschien is het wel zo zalig, omdat het zo lang heeft geduurd voordat het goedkwam.
Ik zou bijna dankbaar worden dat ik vijf keer afgereden heb.
|
|