Hoewel er nergens een verbodsbordje staat, weet iedereen ervan. Men moet zwijgen in de computerzaal van de universiteitsbibliotheek. Het is één van die ongeschreven regels van het leven.

 

Met deze regel werkt het zoals met vele ongeschreven regels: je merkt pas dat hij er is als hij overtreden wordt.

 

Wanneer mensen hardop pratend binnen komen, weet je pas dat wij allen zwijgen. Als één man kijken de werkers boos naar de binnenkomers. Meestal is dat afdoende.

Soms is zwaarder geschut nodig. Een kuchje. Een tweede blik.

 

Gek genoeg wordt meestal niet tot een opmerking overgegaan.

Voor verbaal ingrijpen duurt de interruptie niet lang genoeg. Bovendien is de interruptie niet zwaar genoeg.

Temidden van printers en typende vingers is het nou ook weer niet als mensen een paar zinnen wisselen. Meestal gaan de gesprekspartners gauw genoeg ieder hun weg, er moet immers gestudeerd worden. Er iets van zeggen is dus niet nodig, blijkbaar wordt onze ergernis-grens niet daadwerkelijk bereikt.

 

Bovendien zijn we aan het werk. Een opmerking maken tegen iemand is dus een nodeloze onderbreking, een opschrikken uit  het stuk concentratie dat er nog wel is. Daar heeft niemand zin in. De wetenschap moet gediend worden.

 

Inmiddels is het februari en bijna iedereen heeft de nuance opgepakt. Gij zult niet spreken.

 

Alleen de bibliotheekmedewerkers, die lopen luid sprekend als ze naar huis gaan.

Maar ja, dat zijn natuurlijk hogere mensen dan wij, betere mensen ook. Zij hoeven zich niet te verlagen tot stilte als studenten zitten te werken. Nog zo'n ongeschreven regel.

C. | Dinsdag 19 Februari 2008 at 5:36 pm | | Default | Geen reacties