Vorige week promoveerde Artemis. Ze had iets ingewikkelds onderzocht, iets met enzymen en genen, ze mocht zich doctor noemen. Ik ken haar al lang, we waren beste vriendinnen op de middelbare school. We hadden vaak gedagdroomd over hoe het zou zijn, leven in de 21e eeuw en naar de dertig klimmen.
Ik ging naar Artemis’ feestje met mijn oude vriend W, die ik al net zo lang ken. En toen we zo gedrieën proostten, op het grote succes, besefte ik dat we nog precies zo waren als op het schoolplein in 1995.
De kern blijft, we zijn solide.
Als ik al bang was geweest om ouder te worden, dan was ik het nu zeker niet meer. En het gaat gebeuren, vannacht om twaalf uur. Er komt een eind aan mijn bestaan als twintiger, ik ga het rijk er dertigers in. Een decennium eindigt, een decennium begint.
Koortsachtig probeer ik me te bedenken hoe het zo’n tien jaar geleden was, hoe ik het ervaren heb om twintig te worden. De waarheid is, dat ik het me nauwelijks kan herinneren. Ik heb nog wel wat vage foto’s van een feestje, maar dat is eigenlijk alles.
Feestjes waren er veel, de afgelopen jaren. Ik heb twee grote diploma’s gehaald, stage gelopen, samengewoond en weer uit elkaar gegaan. Meneer F leerde ik kennen, ik groeide en ik deed talloze afvalpogingen.
En nu, nu ben ik hier. Het lijkt erop dat het “als ik later groot ben” nu is gekomen. Dertig schijnt de leeftijd te zijn waarop je, je moet gaan afvragen of je ‘geslaagd’ bent in het leven. Rond je dertigste schijn je vooral alleen nog maar haast te hebben, want er tikken allerlei klokken.
Tja, als iedereen doet alsof dertig iets groots is, ga je het vanzelf geloven. Ja, als je er zo de nadruk op legt, kan ik me wel voorstellen dat leeftijdgenoten een dip krijgen. In essentie is de dertigersdip een identiteitscrisis die voorkomt uit een onduidelijkheid over wie je bent en waar je naar toe wilt in je leven.
Ik herken er niets van, moet ik je zeggen. Ik ben blij dat de tijd van experimenten, issues en onrust langzaam lijkt te zijn overgegaan in rustiger vaarwater. Ik ben blij dat dat rustigere vaarwater niet heeft gezorgd voor saaiheid of inslapen. Het is allemaal nog net zo spannend als op het schoolplein of in de collegebanken, ik voel me er alleen beter tegen opgewassen.
En volgens mij weet niemand wie hij is en waar hij naartoe wil in het leven. Volgens mij maakt dat mensen interessant.
Daar zal ik na middernacht op proosten.

Dit weekend schreef ik een nieuwe voorstelpagina. Ik ben zelf dol op ogenschijnlijk nutteloze feiten die toch een beeld van iemand scheppen, daarom koos ik voor een lijst met veel dingetjes. Het was een hele klus. Zo vaak vertel je immers niet hele verhalen over jezelf, zelfs niet wanneer je een lifeblog schrijft.
Een feitje of tien, twintig, lukte nog wel. Iets over woonplaatsen, studies, mijn verkering, mijn werk en de kat. Maar dan. Mijn uiterlijk, dat leek me een goede. Dus ik schreef hoe mijn ogen eruit zien en hoe mijn haarkleur luidt.Dan mijn verjaardag, wat mooie films en iets over sterrenbeelden.
"Ik ben eigenlijk nooit ziek" was een van de feitjes. En dat feit werd meteen geloochenstraft. Ik voel me sinds zondag alsof ik overreden ben door een vrachtwagen. Of het griep is, of een tijdelijk door-mijn-hoeven, weet ik niet. Ik lig alleen al sinds maandag op bed. Samen met mijn geliefde, want hij is ook ziek.
Het is vervelend, maar ergens best fijn. Even kluizenaar-zijn.
Maar ik schrijf dus nooit meer nooit. Feit.
Sinds de zomervakantie ben ik ontzettend moe. Het komt en gaat met golven, maar over het algemeen is het een dof gevoel van algehele malaise. Soms is het zo erg dat ik duizelig ben en kotsmisselijk, soms is het goed te hanteren. Soms viel ik bijna flauw.
Dat ging te ver. Aan vermoeidheid wen je, zoals je eigenlijk aan alles went. Maar flauwvallen vind ik een grens. Neergaan voor de klas lijkt me vreseljk. Dus ik sprak mijn huisarts. Zij deelde mijn zorg en liet mij doorlichten. Nog niet eerder gaf ik zo veel buisjes bloed. Gelukkig bleek ik gezond.
Vermoeidheid is een bekend bijverschijnsel van rouw, maar er is natuurlijk een manier om ermee om te gaan.
Dus, mijn huisarts verwees me. En eigenlijk wilde ik niet. Maar ik wist ook wel dat het moest.
Vanmorgen had ik een goed gesprek. Dat heb ik, gelukkig, wel vaker. Maar nu was het zo'n gesprek dat misschien wel mijn leven veranderde. En dat gebeurt niet vaak. Ik leer en ik kan dingen veranderen.
Het komt goed.

Soms is het heel makkelijk om het leven mooier te maken. Je kunt bijvoorbeeld naar een theewinkeltje in het centrum lopen en daar earl grey thee met lavendel kopen. Al je dat elke morgen drinkt, begint de dag goed. Een verkwikkende, lekkere thee is namelijk een prettig begin.
Op een dag was echter opeens het pand van het theewinkeltje bij het naastgelegen restaurant getrokken. Er stonden stoelen en tafeltjes en iedereen deed of het altijd zo geweest was.
We togen met tegenzin naar een andere theewinkel. "Is het theewinkeltje weg?" vroegen we daar. "Ja, ze zijn failliet gegaan en verdwenen" zeiden ze.
Mijn lief en ik namen ons verlies.
Tot we van de week 's avonds door een andere straat liepen en daar onze favoriete theewinkel zagen. Verhuisd dus. Helemaal niet failliet. Alive and kicking.
" Tja, de theewereld is een harde wereld" ze de verkoopster desgevraagd.
Ik had geen idee.


Ik ben dol op sinterklaas. Het hele concept is kneuterig gezellig, ik vind het een aardige man en ik houd van mandarijntjes.
Tegenwoordig is Sinterklaas echter een stuk ingewikkelder geworden voor kinderen dan in mijn tijd.
Niet alleen zijn er elk jaar weer problemen omtrent zijn aankomst, hij is iets kwijt of de boot is niet goed. Dat was in de jaren tachtig nooit. Toen deden de boten het altijd en niemand vergat iets.
Ook is er veel meer aandacht voor de sint. Je hebt dagelijks een sinterklaasjournaal, je hoort over het wel en wee van de pieten de allemaal een eigen karakter hebben. Wij onderscheidden alleen de hoofdpiet, de rest was voetvolk. We hoorden ook niet zoveel van sinterklaas. Hij kwam aan, Aart Staartjes vertelde hoe het zat en dat was dat.
Nu is er Dieuwertje Blok die dagelijks vol enthousiasme vertelt over alle perikelen.
Maar gelukkig blijven kinderen kinderen; ze passen zich altijd aan en ze gaan met hun tijd mee. En daarbij: ze weten niet beter.
Vorig jaar vertelde een moeder aan een meisje dat het allemaal een farce was. Het meisje aanvaardde het. Zweeg even. En zei toen "Weet Dieuwertje Blok het al?

" Ga nou eens aan de kant!" riep het meisje. Ze kwam aanfietsen met een andere fiets aan de hand, wat ik altijd erg knap vind van mensen Ik was in Nijmegen. Op de stoep liepen verwachtingsvolle renners en hardlopers, deelnemers aan de zevenheuvelenloop. Het waren zoveel mensen, dat voor een meisje alleen simpelweg geen plaats was. Ik liep dus over de straat, maar zo dichtbij de geparkeerde auto's dat ik vreesde dat er een alarm af zou gaan.
Ik begreep niet waar ik de snauw aan verdiend had. Niet alleen was het duidelijk dat ik niet op het trottoir kon zonder onder de voet gelopen te worden, bovendien liep ik echt niet heel erg in de weg.
Gossie, wat moet zij een rotdag hebben, bedacht ik me. Als je zowat uit het niets gaat schelden op argeloze voorbijgangers, dan moet je echt wel een heel vervelende zaterdag achter de rug hebben. Natuurlijk, iedereen denkt de vreselijkste verwensingen soms, en zeker in het verkeer. Maar voordat je zo ook daadwerkelijk gaat spuien, moet er toch heel wat bloed onder je nagels gehaald zijn.
Ik realiseerde me dat haar nare uitroep niets met mij te maken had. Zelfs als ik iets fout had gedaan in mijn wandelen, stond het nog niet in verhouding met de agressieve pijlen die ze op me richtte. Toch duurde het lang voordat ik haar van me af geschud had. Ik keek bozer naar de andere reizigers en ergerde me veel meer dan anders. Eigenlijk werd het een rotreis. Een klein gevolg, maar toch.
Lorentz wist het al. Wanneer in New York een vlinder opstijgt en daardoor bijvoorbeeld een kleine verandering in de windrichting veroorzaakt kan dit leiden tot een storm in Japan.
Zo kan een boos meisje in Nijmegen mij een rot bui laten hebben in Leiden.
Gelukkig, kan het waarschijnlijk ook andersom.
“Waarom ben je zo lang niet geweest?” zei ze streng. Ik vertelde de reden. Af en toe onderbrak de mondhygiëniste de behandeling door te zeggen “Wat voor ziekte had je moeder dan?” en “je moet je zelf ook goed laten checken op kanker”. Waarschijnlijk was het haar versie van inlevingsvermogen.
Deze dame had al geen opbeurende aanwezigheid, maar nu was mijn stemming tot het dieptepunt gedaald. Ik vroeg me af waarom ze het niet wat gezelliger voor me kon maken.
“Kom op wijffie, je hebt voor hetere vuren gestaan” zei ik tegen mezelf. Ik dacht aan de colleges die ik gegeven had aan grote, onwillige groepen. Er zijn ergere dingen die ook nog eens langer duren.
Het leidde me echter nauwelijks af.
Ik lag in de stoel,helemaal achterover. Ze begon gewoon aan me te sleutelen, zonder inleiding. Alsof ik niet een mens was, maar een gebit dat toevallig bij haar op tafel werd gelegd. Een gebit met wat vlees er rond, welbeschouwd.
De pijn die de mondhygieniste me liet verduren was ontzettend naar. De tranen biggelden over mijn wangen, ik kon er niets aan doen.
Maar, het ergste vond ik dat ze niet vertelde wat ze ging doen en me bestookte met nare apparaatjes die eruit zagen als middeleeuwse werktuigen.
Ik was dus totaal overgeleverd aan een dame die ik niet kende en van wie ik niet wist wat te verwachten. “Overgave” dacht ik, “dat is het ergste”.
Toen ik later op de fiets zat, met tandvlees dat zinderde van de pijn, bedacht ik me opeens dat ik heel blij was met mijn werk. Ik was heel blij dat ik zelf geen mondhygiëniste was.
Bovendien kon de rest van de dag alleen maar leuker worden.
Misschien heeft elk nadeel dan toch zijn voordeel.
Een teacher's pet ben ik nooit geweest. Ik vond mijn leraren vaak wel aardig hoor, maar als mens en niet als leraar, als je begrijpt wat ik bedoel. Het was nooit mijn ambitie om bij leraren in het gevlij te komen. Ik deed gewoon wat er gedaan moest worden.
Bovendien leefde ik in constante angst voor ontmaskering tijdens mijn schoolloopbaan; ik was altijd bang dat ik te dom zou zijn of anderszins ontoereikend.
Bij Mevrouw van Dam van schrijfles is het een heel ander verhaal. Ik ben nog steeds bang voor ontmaskering, daar niet van, maar ik merk wel dat ik oplicht door haar aandacht en heel blij word als ik de juf blij heb gemaakt.
Als ik haar tien jaar geleden was tegengekomen, was ik vast zo wanhopig mijn best gaan doen dat het me volledig uitgeput zou hebben. Als ik haar twintig jaar geleden tegen zou zijn gekomen, zou mijn moeder op school zijn ontboden omdat ik de lerares zelfs naar de WC volgde.
Nu blijf mijn bedaarde zelf, althans zo lijkt het. Blozend zit ik in mijn bankje. In de pauze heb ik de neiging om van de weeromstuit te gaan dansen en springen. De aanwezigheid van anderen weerhoudt me.
Hoe komt het nu, dat ik plots geraakt word door een cursus? Het antwoord is niet moeilijk: ik doe voor het eerst iets wat me echt raakt. Een studie op de universiteit staat verder van je af. Een 6,5, voor taalkunde raakt je, over het algemeen, niet diep in de ziel. Ook wist ik, dat ik altijd mij zou blijven, ook als ik zou sjezen. Bij schrijfles is dat anders. Bij schrijfles is bevestiging een bevestiging van mijn bestaansrecht op aarde, althans zo lijkt het.
Gisteravond vertelde ik in de les wat ik allemaal verzon, waar ik allemaal over na dacht. Ik vertelde over de getallenreeksen en de rekensommen en hoe ik betrachtte mijn brein in de pas te laten lopen. Voor het eerst durfde ik dat, ik was niet eens bang om voor gek versleten te worden.
Later, aan de bar, vroeg ik "mag ik een kop thee?". "jahoor" zei de barman.
" Stel je voor," zei ik daarop lachend tegen mevrouw Van Dam, die naast me stond "dat hij zou zeggen 'nee dat mag je niet'"
" Dat is echt des schrijfsters he, om zulke dingen te bedenken" zei ze tegen me.
Mijn avond en mijn cursus kunnen niet meer stuk. Ik weet opeens iets wat ik al lang wist. Al geef ik nooit een letter uit, al vindt iedereen het niks, ik heb mijn richting gevonden. En een fijne juf ook nog.

Weerzien met een oude vriend. Hij ziet er anders uit, dat is waar. Hij heeft het een en ander laten verbouwen. Ik kan niet zeggen dat ik alles mooi vind aan hem, maar hij is er zeker op vooruitgegaan. Ik denk aan al die mooie uren die we samen doorbrachten.
Nog steeds heeft hij alles wat ik zoek en alles waar ik de laatste tijd over nadenk. Zijn saaiheid is prettig. Hij neemt een sfeer van concentratie met zich mee.
Bovendien heeft hij een zoete weemoed. Als ik hem zie, lijkt het alsof mijn studententijd alleen maar bestaan heeft aan gestaag werken aan interessante dingen en daarna feesten. Vervelende dingen doet hij vergeten.
Elke keer als ik hem zie, vraag ik me af waarom ik niet vaker naar hem toe ga. Het is nog geen vijf minuten op de fiets. Ik neem me plechtig voor hem vaker te bezoeken. Hij is nog steeds mijn vriend: de universiteitsbibliotheek.
Thuis zat ik mijzelf vandaag in de weg. Ik wilde werken aan mijn schrijfopdrachten. De deadlines naderen, maar het wilde absoluut niet lukken. Maar als ik naar hem toe ga, lukt het allemaal wel.

Gisteravond sprak ik boer Kees in het kroegje aan de overkant. Nu is het kroegje aan de overkant een kroegje voor mannen die op mannen vallen. En voor vrouwen die op vrouwen vallen. En voor ons dus, want wij zijn als buren altijd welkom, ondanks dat we hetero zijn.
"Ben je al benaderd voor boer zoekt man?" vroeg ik hem. Hij vertelde dat dit inderdaad het geval was, maar dat hij toch maar had besloten het niet te doen. Vanwege de kerk. "Vanwege de kerk?" vroeg ik verbaasd. Welzeker.
In de kleine parochie in het kleine dorp waar boer Kees woont, is homoseksualiteit een enorm taboe.
Toen Kees naast zijn geliefde achter de kist van zijn onverwacht gestorven vader had gelopen, kwam de dominee de volgende dag zeggen dat Kees zich maar beter kon uitschrijven. Dit gebeurde in 2007.
Ongelovig staarde ik hem aan. Het moeten verbergen van je voorkeur, lijkt me iets van dertig jaar geleden of nog langer.
Mijn moeder viel op vrouwen. Ze was lesbisch, zoals dat heet. Dat ik dat nu zomaar kan opschrijven, is eigenlijk een wonder. Zij heeft dat nooit zo open kunnen doen in ieder geval, ze heeft het haar hele leven verborgen gehouden. Haar ouders wisten het niet, officieel. En ook op haar werk werd er niet over gesproken. Het kon niet zijn.
Zij hoopte altijd dat het anders zou worden, dat er een maatschappij zou ontstaan waarin alle liefdes zouden mogen.
"Ze zeggen dat ik me tegenover God zal moeten verantwoorden" zei boer Kees
" Dat denk ik niet," zei ik "volgens mij is God nog altijd liefde. Kijk maar naar de brieven van Johannes. Die dominee zich straks moeten verantwoorden, niet jij" Geen idee waarom ik het zei, zo Bijbels ben ik niet, waarom het in me opkwam weet ik niet, maar het leek het enige juiste om te zeggen.
Aan het eind van de avond, zag ik boer Kees glimlachend de nacht in verdwijnen, innig gearmd met een mooie Indische jongen.
“ Gefeliciteerd,” zeiden de mensen en “hoera!”, toen ik vandaag mijn onderwijsbevoegdheid behaalde. Ik deed een door mijn werkgever betaalde cursus en vandaag deed ik de laatste presentatie.
Ik was echter helemaal niet blij of vrolijk. Het voelde niet feestelijk. De presentatie was niet goed gegaan, vond ik, het was alsof ik niet goed overkwam..
Ik voelde me alleen maar dof.
Vroeger riep ik altijd, dat ik nooit het onderwijs in wilde. Onderzoekster moest het worden ,of iets interessants bij een ministerie. “Wacht maar” schamperde mijn moeder dan altijd. Zij, onderwijsveteraan, herkende en zag iets in mij. Ze kreeg gelijk, zoals moeders vaker.
Op mijn eigen manier ontdekte ik het onderwijs en het voelde als thuiskomen.
Ze vond het geweldig dat ik in haar voetsporen trad. Het onderwijs bracht ons dichter bij elkaar. Als persoon botsten we wel eens, maar we vonden elkaar in het docentschap. Omdat we zo op elkaar lijken, liepen we tegen dezelfde dingen aan, hadden we ongeveer dezelfde makkes. Ook hebben we een zelfde kracht..
Ze kende de problemen, de goede en de vervelende collega’s. Ze had het ook allemaal gezien, maar dan op een andere school in een andere tijd. Het was heerlijk om met mijn moeder te kunnen sparren over het docent-zijn.; als iemand je zo goed kent en ervaring heeft in de zelfde leeuwenkuilen doet een magische wisselwerking op.
Het is nog altijd prettig om haar in mijn docentschap tegen te komen. Ik doe dingen die zij ook gedaan zou hebben en het is fijn om me zo dichtbij haar te voelen.
Maar, het halen van mijn onderwijsbevoegdheid kwam te dicht bij. De notie een eenzaam, losgezongen bootje te zijn op een ruige zee, was duidelijker dan ooit. Zelden voelde ik me zo alleen en eenzaam als tijdens deze afstudeerpresentatie.
Morgen zal ik de kracht wel weer vinden om blij te zijn, misschien zelfs een beetje trots op mezelf. Ik zal het prettig vinden, dat ik haar nabijheid voel in mijn werk.
Maar vandaag nog even niet.

“ Je hebt alles in hoofdletters geschreven” zei de juf met de blauwe mascara. Haar stem klonk teleurgesteld en afkeurend.
Het was me voor het eerst gelukt, mijn naam toevertrouwen aan papier. Ik voelde dat het iets heel bijzonders was, dat schrijven echt iets betekende. Maar het was blijkbaar niet goed genoeg. Ik had alles in kapitalen geschreven.
Het was natuurlijk een bijzonder onpedagogische reactie van mijn juf, zeker als je je bedenkt dat ik vier was.
Dat zie ik nu wel.
Toch, is die kleuterjuf veranderd in een spook in mijn brein. Suzanne is een boek aan het schrijven over dit soort spoken. En dan hebben we het niet over de klassieke spoken, die kerels met die witte lakens, maar spoken als symbool voor belemmeringen, gedachten die je dwarsbomen zeg maar.
Iedereen schijnt wel eens saboterende gedachten te hebben, veel mensen zijn in strijd met zichzelf. Je maakt jezelf wijs dat je niets kan, bijvoorbeeld, of dat je er niet uit ziet. Er zijn spoken die je weerhouden om te doen wat je wilt doen, te zijn wie je wilt zijn. Een trieste gedachte: we remmen onszelf dus.
De enige manier anders met ze om te gaan is ze te herkennen, inzicht te krijgen in hun Het goede nieuws is, dat we met ze om kunnen leren gaan. We kunnen ze gaan herkennen en kleiner maken.
Zelf heb ik last van een hoge-lat-spook. Ik vind altijd dat ik tot een uitmuntende prestatie moet komen, dan is het pas goed genoeg. Erg zonde. Er is immers geen lol aan het behalen van een zeven als je een negen had gewenst.
Laatst bedacht ik me, dat dit misschien deels door de opmerking van mijn kleuterjuf komt. Niet dat ik haar de schuld geef, maar ik bedoel dat er toen iets in gang is gezet. Een spook werd geboren. Een spook met blauwe mascara.

Stel je voor dat je een jaar lang elke dag een zelfportret maakt met je fototoestel. Of het nou vroeg in de morgen of laat in de middag is, iedere dag kiek je je eigen hoofd. Ik vroeg me af, of dat prettig zou zijn.
Deelnemers zeiden, dat je je fotovaardigheid vergroot. Ze zeiden ook dat het mooi is om een beeld te hebben van een jaar uit je leven. Het zou je creativiteit vergroten. Ze zeggen dat het een geweldige ervaring is, om terug te kunnen kijken naar elke dag van een jaar en je te kunnen herinneren wat je deed, wie je ontmoette, wat je hebt geleerd. Alles verandert in een jaar, schijnt.
Tja. Ik ben melancholisch, ik ben ook gevoelig voor alles wat creativiteit zal vergroten. Ook was ik erg benieuwd naar het terugkijken, het vastleggen. Foto’s zijn gestolde tijd, dat heb ik altijd intrigerend gevonden.
In oktober 2008 maakte ik een rigoureuze beslissing. Ik ging mee doen met project 365.
Foto 1 was een bankhang-foto. Het was herfstvakantie, ik was alleen thuis en deed niet veel anders dan lui op de bank zitten. Het was de eerste pauze in mijn werkende bestaan. Inmiddels ben ik veel meer gewend aan werken.
Op de 2e foto stond ik met leuke kennisjes die ik toevallig tegenkwam toen ik besloot mijn hangerige stemming te doorbreken en koffie te gaan drinken in de stad. Die kennisjes zie ik nu nauwelijks nog.
Op foto 3 sta ik te schuren in het huis van vrienden. Inmiddels is het helemaal af.
Op de negende foto heb ik een goed gesprek me een vriendin, die inmiddels niet meer mijn vriendin wil zijn zonder dat ik echt weet waarom.
Op de 15e foto drink ik een biertje met Sara, die nu hoogzwanger is.
Op foto 34 was ik juist naar het ziekenhuis geweest om te worden gecontroleerd op de mammapoli. Alles was goed.
Op foto 39 ben ik jarig. Mijn moeder trotseerde de sneeuw en kwam naar me toe. Ze schreef op een ansichtkaart die bij mijn cadeau zat “Waar is mijn meisje van 28 gebleven?” Ze vroeg altijd bij het verjaardagsontbijt, waar het meisje van de vorige leeftijd heen was gegaan.
Foto 52 toont hoe ik afscheid neem van mijn vriendin en bijlesstudente Nikki, die terugging naar Australië.
Op foto 59 zitten mijn lief en ik op een hotelkamer in Antwerpen.
Voor foto 63 poseer ik in mijn lievelingscafé in mijn oude stad. Een paar dagen later zou het afbranden.
Op foto 80 loop ik op het ijs op een koude winterdag.
Op foto 94 zit ik met de dochter van mijn vriendin op schoot. Ze is inmiddels zo gegroeid.
Op foto 118 poseer ik met mijn moeder, voldaan en gelukkig na een dagje stadten in Rotterdam.
Op foto 170 heb ik plots bruin haar. Dat zou maar een week duren.
Op foto 183 poseer ik met een gelukkige glimlach, omdat ik zo’n fijne week had.
Op foto 184 zit ik op Londen Heathrow, peinzend want ik heb net gehoord dat mijn moeder ziek is.
Op foto 186 heb ik net een ticket terug naar huis geboekt, omdat ik opgebeld was dat het echt niet goed ging met mijn moeder.
Op foto 194 is ze eergisteren overleden.
Op foto 364 lig ik lekker op de bank met de kat.
En gisteren bereikte ik de mijlpaal. Ik had het gered. En nu ga ik weer lekker fotograferen wat ik zelf wil, als ik zin heb. Ik voel me bevrijd van mijn zelfgekozen juk. Elke dag weer een interessante foto moeten opleveren, wat een gedoe. Elke dag diezelfde kop, of je nou een fotogenieke bui hebt of niet. Je raakt jezelf een beetje beu. En dat is eigenlijk heel gezond, lijkt me.
Prachtig bijverschijnsel, zijn de contacten die je opdoet. In Nederland zijn er vele, talentvolle 365'ers. Woordenaar kende ik al, maar zijn 365 werk heeft me erg geinspireerd. Ook werd ik af en toe meegevoerd in de wereld van Jeanique, een meisje pdd-nos en een depressie. Ze laat niet alleenzien hoe moeilijk het is om anders te zijn, maar ook de mooie dingen van het leven. En er is vogelmeisje , een biologe die met een bijzondere focus naar de wereld kijkt.
Ik ontmoette ook Dracubio, een lieve, talentvolle fotograaf uit Hilversum. En Els uit Antwerpen liet me vaak even naar adem snakken.
Over de hele wereld vind je enthousiaste 365’ers .Het is erg leuk om eens te kijken hoe een drummer uit New York leeft of hoe iemand in India zijn dagen vult. Of hoe een docent in Londen omgaat met de dingen. Je ziet de prachtigste foto’s.
Ik heb verschillende deelnemers van de Nederlandse 365-groep ontmoet. Ongelofelijk, hoe open mensen kunnen zijn. Ik vond het leuk om met anderen te praten over hun ervaringen, met mensen in contact te komen die je anders misschien nooit gekend had. Je voert boeiende gesprekken.
Bovendien krijg je fijne reacties. Mensen maken je lieve complimenten.In de tijd dat mijn moeder stervende was, had ik elke dag een mailtje met een hart onder de riem.
Wat ook gaaf is, is dat je veel ontdekt over jezelf. Ik ontdekte dat ik best wel discipline had, bijvoorbeeld. En dat ik veel werk. En dat ik voor alles een schrijver ben en geen fotograaf.
Misschien ben ik misschien iets beter gaan fotograferen, dat zou kunnen, maar dat komt ook door de betere spullen die hebben. Het is prettig om een kader te hebben, een reden om foto’s te maken en dingen in beeld te brengen. Dat stimuleert. Je wordt niet inventiever en creatiever dan je al was, maar je hebt wel de gelegenheid om die creativiteit te laten stromen. Je leert wat beeld vermag.
Het is inderdaad interessant om een document te hebben, een jaar van je leven zo goed in kaart te hebben gebracht. Echter, het is het jaar geworden dat mijn moeder dood ging, iets dat je het liefst wat meer zou sussen in vergetelheid. Alles herinner je je beter als je beeld hebt. De fijne dingen, maar ook de onprettige. Het is een bijzonder bezit voor de eeuwigheid, maar ik hoef er wellicht een poosje niet naar te kijken. Nu kijk ik namelijk graag vooruit. Op naar de volgende 365! Leef!

Mijn project zien? Klik hier.
|
|